Ergens op de oude steenweg naar Antwerpen heb (of had) ik een paar takken familie wonen. Zusters en broers van mijn moeders moeder, in Waasmunster, in Sint-Niklaas, in Belsele. Tante M. in Waasmunster maakte heerlijke Normandische zeetong, en garnalencocktail (in een hoog glas met botersla), en vlaai, en we gingen er elk jaar naar de kermis in het dorp. In Sint-Niklaas woonde tante nonneke E., bij de Arme Klaren, één van de weinige buitenzusters, die dus geen absolute zwijgplicht had en niet steeds achter een gordijn diende verborgen te zitten als er bezoek kwam (hoe dat dan eigenlijk zat met die zwijgplicht en communicatie met het bezoek, dat kan ik me niet meteen meer herinneren). In Belsele woonde ook een tante, maar ik weet niet meer welke –‘men’ zal mij deze week nog wel op de vingers tikken daarvoor.
Gisteren moesten we dus net daar, in Belsele, zijn. In ’t Ey (denk niet ‘kip’, maar ‘eynde’), een muziekclub waar F. & V. mij naar hadden meegelokt op mijn werfbezoek. “Ukelelemuziek, Bruno, als ge zo eens een concert wilt meemaken…”
Er stonden vier Japanners op het podium voor een volle zaal (een kleine 100 luisteraars). De Sweet Hollywaiians speelden op (een geleende) bas, een steel guitar, een gewone gitaar, twee ukeleles, een banjo, en een mandolineachtig instrument. De muziek bracht flarden Elvis (Blue Hawaii), maar net zo goed Carol Reed (The Third Man) en was waanzinning ontspannend –ondanks het soms moordend hoge ritme.
Het verenigingsleven en de culturele centra zijn echt veel aanweziger dan ik had vermoed, zo ontdek ik steeds meer. Gisteren hoorden we opnieuw topmuzikanten voor een enthousiast publiek optreden, op een onderschatte plek. Blij dat we erbij konden zijn.
















