Die zag ik niet aankomen

Twee (heel) prille twintigers poten een tank van een Mercedes (een GLK of een M) voor mijn poort, en plannen een bezoekje bij mijn buurman, de gynaecoloog. Ik zucht, open het vensterraam, en spreek mijn gewoonlijke begroeting.

“Excuseer, maar u staat voor een poort.”

“Ja, maar ’t is niets, we moeten gewoon bij de dokter zijn.”

Zucht. Natuurlijk is het ‘niets’ voor u, juffrouwkes, maar ge staat wel voor mijn poort, denk ik.

“Dat geloof ik graag,” zeg ik luidop, “maar kijk: daar en daar en daar en daar heeft u plaats om uw voertuig te parkeren, zonder iemand te hinderen.” Hulpvaardig als ik ben, wijs ik naar een paar plaatsen, waarvan er twee aan dezelfde kant van de straat (een meter of vijf of tien ver), en twee aan de overkant van de straat liggen.

“Moet ge weg misschien? Hé? Moet ge nu weg? Nu, nu, nu, nu, nu?!”

“Kan u gewoon even uw voertuig verplaatsen?”, antwoord ik luchtig, “Er is plaats genoeg hé?” Ik plak er een sprankelende glimlach achteraan.

“Nee, maar, moet ge weg soms? Wij moeten gewoon bij de gynaecoloog zijn. Hé? Moet ge nu-nu-nu-nu-nu weg?”

Ik blijf vriendelijk glimlachen. “Als u zich gewoon even wil verplaatsen. Het was al gebeurd op de tijd dat wij deze conversatie nu hebben.”

“Weet ge wat ik gewoon zou willen doen?”, bijt de juffrouw mij toe, “een kogel door uw kop schieten.” En als ze op haar voertuig afstapt voegt ze eraan toe: “meer dan één zelfs.”

Terwijl ze haar wagen drie huizen verplaatst, spreekt plots ook haar vriendin, die aan de voordeur van buurman blijft wachten. “En ik zou meehelpen.”

Conversation non-imaginaire

[Opent de voordeur om het huis te verlaten, en ziet zijn buurman die net met ontbijtkoeken terug thuiskomt.]

– Ha, buurman. Goed dat ik u tref, ik heb nog iets voor u.

[Stapt terug de gang in, en neemt een baksteen uit een stapel van drie.]

– Deze baksteen, nu ja, ik heb er zo drie, en ik weet niet of ge ze wel wilt…

[De buurman kijkt met lede ogen door hem heen.]

– …deze baksteen dus, komt van uw schoorsteen daar vanboven…

[Wijst ostentatief naar het dak. De buurman negeert de conversatie volkomen, en stapt van zijn wagen naar zijn voordeur.]

– Enfin, ik dacht dat ge misschien wel wilt weten dat uw schoorsteen in slechte staat verkeert en eigenlijk op instuiken staat en…

[De buurman stapt zijn woning binnen en slaat de voordeur dicht.]

De staan van de schoorsteen door Bruno Bollaert

Zo ongeveer had ik mij de conversatie een tijdje geleden al voorgesteld, behalve dan dat de buurman in mijn verbeelding iets interactiever was, en dat ik hem nog verder had kunnen uitleggen dat de mensen die de gaten in onze dakgoot hadden gedicht (een euvel, waarover hij reeds zijn ongenoegen had laten blijken, en waarvan er gelijk minstens één gat door een schoorsteenvallende baksteen was veroorzaakt), dat die mensen dus hadden gezien, niet alleen dat zijn schoorsteen bijna instort, maar ook dat er op zijn plat dak al een heleboel baksteenbrokken liggen. En dat het misschien aangewezen was om maatregelen te treffen voor zijn schoorstenen (want het zijn er eigenlijk twee) daadwerkelijk geheel afbrokkelen –en mogelijks een stuk (van onze) muur meetrekken en/of zich met ware doodsverachting door zijn plat dak storten. Of naar de straat vallen en mogelijks op het hoofd van een nietsvermoedende passant terecht komen.

Bij deze dus –u volgt mijn blog toch nog, buurman?

Tien jaar stilte doorbroken

Voor het eerst in tien jaar heeft buurman mij nog eens rechtstreeks aangesproken. Zelfs buurvrouw liet enige klanken aan haar keel ontvlieden, al waren die niet noodzakelijk rechtstreeks aan mij gericht. Het ging als volgt.

Om 15u had ik een afspraak ergens te lande. Rond 14u30 kijk ik even of de plaats voor de poort vrij is, en begeef ik mij richting badkamer om mijn tanden te poetsen. Een ongelukkige zet, want als ik een paar minuten later opnieuw naar buiten kijk… staat er vanzelfsprekend een wagen voor de poort geparkeerd. Tada!

Dingdong, daar is de 101, en op het moment dat het voertuig op de takelwagen zou worden geplaatst, komt de eigenares haar wagen claimen. Je m’en fous éperdument of dat ding getakeld wordt of niet, als ik weg kan ben ik al lang content. (Een tip: er hangt een bel aan mijn voordeur. Een tweede tip, insgevallend u wat timide bent, kan u een briefje met uw gsmnummer erop goed zichtbaar achter uw voorruit plaatsen.)

Als ik de poort open om weg te rijden, staat buurvrouw haar beklag te doen bij de agent. Dat het wel grof is dat ik dat voertuig laat takelen, hoor ik nog, maar zo gauw ze mij ziet loopt ze weg. Om een halve minuut later in het zog van buurman hemzelve opnieuw buiten te komen.

“Het is grof”, herhaalt hij buurvrouws aantijgingen tegen eenieder die hem zou willen aanhoren –een verzameling die zijn vrouw bevat, de eigenares van de wagen die mogelijks net bij hem kwam buitengestapt, en ook een beetje de meneer van de takelwagen die zijn lach nauwelijks kan inhouden en mij een vettige knipoog toestuurt. De agent doet wijselijk alsof hij heel druk bezig is papieren in te vullen.

“En moet ik u ne keer wat zeggen,” vraagt buurman dan maar aan mij. Een geheel retorische vraag overigens, want hij gaat meteen door. “Wanneer gaat ge ne keer uw dakgoot laten repareren?! Hé? Hé! Het is een schande voor de buurt!”

Voilà, en met deze wijze woorden heeft buurman een tienjarige stilte doorbroken. Zou hij, de volgende keer wanneer ik hem op straat tegenkom opnieuw zijn wijsheid met mij delen? Of gaat hij mij wederom gewoon voorbij, met het gelaat in een gepijnigde plooi getrokken om het onvermijdelijke van de nauwelijks merkbare knik in mijn richting? Of wendt hij tijdig zijn blik naar het trottoir, vol beate droefnis en een beetje ontgoocheld omdat hij mij die dag niets nieuws te leren heeft? Of is de wijsheid zo delicaat dat hij de woordkeuze opnieuw aan zijn advocaat overlaat?

autoloos

“Ze hebben niet eens een auto!”

Buurman was zo gauw of tellen zijn trappen afgestormd toen hij de politieman-met-zwaailicht voor de deur zag. Schijnbaar achteloos maar geheel buiten adem pretendeerde hij verrast te zijn de agent te zien.

“Hoe bedoelt u, meneer”, vroeg de agent vriendelijk.

“Ze laten hier altijd maar auto’s wegtakelen voor hun deur, maar eigenlijk hebben ze zelf niet eens een auto”, legde buurman behulpzaam uit. En ze weigeren halsstarrig mijn cliënteel voor hun poort te laten parkeren, dacht hij er verbolgen bij.

“Dat zal ik meteen even controleren, meneer”, verzekerde de agent, terwijl buurman de straat overvluchtte en in zijn wagen wegkroop. De agent belde aan.

“Dag meneer”, zei hij nog steeds heel vriendelijk, terwijl hij beslist de poort binnenkeek, alwaar hij een wagen ontwaarde. “Is dat uw voertuig?”

“Hier in de garage, bedoelt u? Jawel hoor.”

“Mag ik even de papieren van het voertuig zien, alstublieft meneer? Men heeft mij namelijk verteld dat u niet over een wagen zou beschikken.”

De agent nam snel de papieren door en verontschuldigde zich. “Nee meneer, ik mag niet zeggen wie dat heeft beweerd”, verkondigde hij, daarbij heel subtiel in de richting van buurmans huis kijkend. “Maar ik laat meteen de takelwagen komen. Nog een prettig weekend, meneer.”

hallo?

“Hallo?”

-…

“Hallo? Beste buurman, beste buurvrouw? Kan ik u even spreken?”

-…

“Hallo? Ik zie u zitten hoor, als u even naar links kijkt, ziet u mij ook. Kan ik u even spreken? Of moet dit echt via advocaat en vrederechter? Nee toch?”

-…

“Wij zouden graag even met u spreken, maar het kan best zijn dat het nu niet voor u past. Maar het is dus echt wel een blijvende uitnodiging. Onze deurbel zit vooraan, als u er klaar voor bent hebt u maar aan te bellen anders.”

-…

“Of u kan ook gewoon nu antwoorden natuurlijk?”

-…

“Nee? Toch niet? Wij zouden echt gewoon graag eens met u praten, denkt u dat dat mogelijk is?”

-…

“Nee dus. Enfin, de uitnodiging blijft. Nog een prettige namiddag in elk geval.”

-…

de conifeer (ii): het verzoek

“Ja!”, klinkt het ongeduldig door de parlefoon.

– Goedenavond mevrouw, ik stoor toch niet? Zou ik u iets mogen vragen?

“Ik moet naar beneden komen zeker?”, klinkt het met een zucht. “Een moment.”

Na ruim vijf minuten wachten wordt de voordeur geopend. “En waarvoor is ‘t?”

– Goedenavond. Zouden wij u iets mogen vragen?

“Ge zijt al bezig hé.”

de coniferen de coniferen

– Huh. Ja. Sorry. Toen wij hier kwamen wonen hadden wij de ganse dag zon in onze tuin. Maar dat is elk jaar sterk verminderd, en sinds vorig jaar hebben wij eigenlijk bijna geen zon meer.

“Ge denkt toch niet dat ik mijn bomen ga laten snoeien zeker? Want ik hoor u al afkomen.”

– Dat was inderdaad wat ik u had willen voorleggen. Niet alleen zijn die twee bomen hevig in de hoogte opgeschoten, een groot deel hangt ook over onze tuin, en zelf mogen we daar natuurlijk niet aan snoeien.

“Wel, bij u is dat waarschijnlijk niet zo, maar ik moet dat eerst met mijn man overleggen. Maar ge moet er niet op rekenen.”

– En hebt u enig idee wanneer… begon het nog, toen de deur met een luide knal werd toegegooid.

(Een week later was er een aangetekende zending.)

de conifeer (i): aangetekend

Geachte Mevrouw,

Ik ben de advocaat van de heer en mevrouw Vrijens, wonende te 9000 Gent, Koning Albertlaan 143.

Mijn cliënten delen mij mee dat zij het vermoeden hebben dat U zinnens bent om, zonder hun akkoord en zonder hun medeweten, de conifeer die op hun eigendom staat, te snoeien.

Zij wensen er de nadruk op te leggen dat, indien U daartoe zou overgaan, zij niet zullen nalaten U aan te spreken in het betalen van een schadevergoeding. De plaats waar de conifeer staat ingeplant beantwoordt immers aan alle wettelijke voorwaarden en mijn cliënten kunnen derhalve niet worden verplicht om te snoeien.

Daarenboven zal U voor het snoeien van de conifeer zonder toestemming van mijn cliënten hun eigendom moeten betreden hetgeen op zich reeds een inbreuk vormt.

Indien U de mening bent toegedaan dat dient te worden gesnoeid zal U eerste (sic) wel willen overleggen met mijn cliënten of de tussenkomst vragen van de bevoegde vrederechter.

Met oprechte achting,

Veronique VAN ASCH, Balthazar, Joseph & Van Asch