Frederik Leroux + Bart Maris en Thijs Troch

Met maandelijkse regelmaat strijkt de (mobiele) jazzclub Opatuur neer in De Centrale. De geafficheerde muzikanten zorgen steevast voor een mooie staalkaart van de Belgische jazzscene (Opatuur schuwt de andere kant van de taalgrens niet), en ze treden er vaak op in een minder voor de hand liggende bezetting. Menig samenspel of muzikantencombinatie is (mede) ontstaan onder de vleugels van Opatuur. Er wordt nog steeds gespeeld zonder drums, dat spreekt vanzelf, en zonder stem ook —of het moet zijn dat die ene onverlaat geheel onvoorzien en tegen de instructies in, het heeft vermogen toch enkele keelklanken uit te stoten onder het mom van extended instrumentation. Het ontlokt aan de ingewijden steevast een glimlach die zich door de zaal verspreidt als in een klaslokaal nadat de durfal kattenkwaad heeft uitgehaald.

Tot vorig seizoen vonden de concerten plaats in de cafetaria van De Centrale, bij momenten gretig voorzien van ritmische begeleiding door de danslessen erboven of de concerten elders in het gebouw. Dat bood een mooie uitdaging voor de muzikanten, daar niet van, maar ideaal was het niet.

Sinds oktober mag Opatuur echter gebruik maken van de Kelderzaal van het wereldcultuurhuis. Een ‘kleine’ schaalvergroting naar een oppervlakte van 200 m2, die voor de jazzconcerten wordt ingericht als een intieme club. Er is een voorgeborchte met toog en veel licht, een intiem, schaars verlicht gedeelte met tafeltjes en stoelen voor de luisteraars, en het podium. En er zijn vele knopjes waar Opatuur zich met genoegen aan kan uitleven, zodat hij naast de microfoons waarmee hij de concerten op zijn laptop opneemt, nu ook de lichten secuur kan afstellen naar zijn behoefte.

Opatuur heeft niet alleen een nieuwe locatie, er is ook een nieuwe format. Van de gebruikelijke concerten is het Opatuurconcert —spontaan, zo lijkt het wel— geëvolueerd tot twee geheel verschillende sets met andere bezetting of zelfs helemaal andere muzikanten. Eind vorige maand gingen we luisteren naar Frederik Leroux solo + Bart Maris en Thijs Troch duo.

Frederik Leroux focust zich al een hele tijd op banjo. En al werden wij indertijd helemaal wild van zijn improvisaties op gitaar, die banjo lijkt steeds meer een onderdeel van Leroux te worden. Het concert begon dan ook met een Leroux in innige omhelzing met zijn instrument. Enkel een paar intieme klanken werden uit de banjo getokkeld, maar naarmate de set vorderde, werd de muziek steeds weidser, en stelde ook de muzikant zich steeds opener op voor het publiek. Het was alsof er ter plekke een taal werd uitgevonden om met het publiek te communiceren; met de ontwikkeling van een vocabularium en een grammatica kwam ook een verhaal waarvan de stukken steeds meer samen kwamen.

Op het einde van de set werd de uitbundigheid tot zo’n toppunt gedreven, dat het tragisch en aangrijpend werd —nee, niet melancholisch of droevig, maar bijna pijnlijk. Een schitterende apotheose.

Op de scène stond al de ganse avond een buffetpiano te wachten op de begerige vingers van Thijs Troch. Op een tafel ernaast stond een klavier, omgeven door een horde bakskes waar menig gitarist jaloers van zou worden, en daar nog eens naast een stoel met een al even impressionante rig voor de trompet. De piano werd die avond niet gebruikt.

Aan de oppervlakte was het voornamelijk de trompettist, Bart Maris, die het woord zou nemen. Troch stuurde vanuit de achtergrond bij, zorgde voor een basis en een veld waarop Maris kon verder breien. Maris liet aan één stuk door zijn trompet of bugel praten, nu eens in een beschaafde conversatie (met zichzelf of met Troch), dan weer schril schreeuwend of klanken spuwend op het publiek. In dat laatste geval werd de elektronica van de trompet stevig bijgetreden door de toetsenist. Soms was het niet eens een kwestie van klank of geluid, maar van harmonische tempi die van elkaar werden afgepakt en (soms (bijna)) contrapuntisch werden teruggestoten.

Het was een zorgvuldige symbiose, die tussen beide muzikanten werd opgebouwd. En al viel er dan muzikaal of (vaker) louter op volume wel eens een leider aan te duiden, het was vooral het samenspel dat van deze set een interessante belevenis maakte.

Frederik Leroux solo + Bart Maris en Thijs Troch duo, gehoord bij Opatuur in de Kelderzaal van de Centrale, op 29.01.2017

Champagne bij Tuur

Thomas Champagne staat al een paar jaar op een paar lijstjes bij mij. Op geregelde tijdstippen verschijnt zijn nieuwsbrief (in smetteloos Frans) in mijn inbox, waarop ik opnieuw moet constateren dat hij vooral in het Franstalige landsgedeelte actief blijft. Gisteren kwam hij eindelijk onze contreien opzoeken, waardoor ik een paar items van mijn lijstje kon afwerken.

20150222_opatuur01

(Een bewegingsonscherpe foto van zijn optreden maken, was duidelijk één van die items op dat lijstje.)

Saxofonist Thomas Champagne bracht zijn kompaan, pianist Christian Claessens, mee naar Opatuur. De ‘jongens’ kennen elkaar al een jaar of twintig, ze begonnen samen aan het conservatorium, en treden regelmatig samen op. “Mijn Nederlands is niet zo goed,” klonk het tijdens de van Franse termen doorspekte introductie. “Maar daarom heb ik Christian meegebracht,” excuseerde Champagne zich (op volstrekt sympathieke manier). Het duo begon met een stuk van Enrico Pieranunzi, dat de sax liet klinken alsof die nog moest worden opgewarmd, net als de muzikant zelf overigens, die met horten en stoten zo leek het wel, eerst nog ziel in het instrument moest blazen om het wakker te schudden, eer het ding dan plots als vanzelf wou meespelen met de adem die het was gegund. Het tweede stuk, de standard It Might As Well Be Spring (uit State Fair) klonk dan ook helemaal anders, en tegen dat we bij het derde of vierde nummer waren aanbeland, klonk die sax, die altsax, met een warmte alsof het een vanzelfsprekende comfort zone voor het instrument is (quod non).

De complexiteit van de ritmes van Egberto Gismonti’s Lôro leken soms iets van het goede te veel, toen het duo, door snelheid gepakt, wel heel erg rubato speelde. Al waren er gelukkig veel meer mooie momenten, waarop het samenspel tussen sax en piano helemaal gesynchoniseerd was en ons de geoctaveerde harmonieën gaf waar het stuk op zat te wachten. In de tweede helft speelden ze nog ‘moderne standards‘ van Paul Simon (“we halen even de partituren boven want we hebben dit stuk nog niet echt samen gerepeteerd”) en Sting, om daarna naar Enrico Pieranunzi terug te keren met Coralie (een stuk dat Pieranunzi opnam met trompettist Enrico Rava).

Een encore kwam er niet, het was ook al laat, en maandag is een werkdag.

Het volgende concert van Opatuur vindt plaats op donderdag 12 maart in Mub’Art. U kan er terecht voor Joris Vanvinckenroye – BASta! in duo met Emmanuel Baily.

Fulco Ottervanger & Steven De Bruyn

Twee zondagen geleden speelden Fulco Ottervanger & Steven De Bruyn bij Opatuur in De Centrale. Ik heb een paar clips gemaakt, waarvan dit er alvast eentje is. Tijd om wat na te genieten.

(Het einde is een ‘beetje’ abrupt, want mijn geheugenkaart was vol, na vier clipjes. Beschouw het al een lange intro.)

Muziek x3

Een mens zou bijna denken dat ik geen concerten meer bijwoon, gezien ik er zo weinig over bericht. Ik heb er ook een pak minder bijgewoond, de voorbije maanden, wegens ziekte en andere dingen waar ik u niet mee ga vervelen. Het meeste van wat ik gezien heb, was dan weer absoluut de moeite waard.

Muziek door Bruno Bollaert

Toen ik, lang geleden ondertussen op de voorstelling van het nieuwe Bijlokeseizoen (2012-2013) zat, waren er een paar zaken die onmiddellijk mijn interesse hadden gewekt. Eén daarvan was de integrale uitvoering van de pianosonates van Frank Nuyts (die mens woont hier dan nog eens in de buurt ook). De Bijloke presenteert elk seizoen twee momenten waarop drie sonates van Nuyts door telkens een andere pianist worden gebracht. De drie sonates worden elke keer vergezeld door vierde stuk naar keuze van één van de uitvoerende pianisten, die daarmee het werk van Nuyts wil confronteren. Twee van de pianosonates zijn bestaand werk, de derde is een creatie (Nuyts moest bij aanvatting van project nog een aantal van de 18 sonates componeren).

Na zijn examens had Henri twee dagen waartijdens hij moest wachten op zijn rapport, en het leek mij de geschikte gelegenheid om hem nog eens met wat hedendaagse muziek in aanraking te brengen. Ik geef toe dat ik tegenwoordig enige toenadering zoek tot pianowerk, dus het kwam mij goed uit. We hadden perfecte plaatsen: helemaal vooraan, schuin achter de piano/pianist, waardoor we zicht hadden op zowel de partituur als de handen van de pianist.

Benjamin Van Esser speelde Sonate Nr. 3; Keiko Shichijo speelde Sonate Nr. 13; Daan Vandewalle speelde Sonate Nr. 2 en de Choral Sonata van Michael Blake. Er was een gigantisch verschil tussen de speeltstijlen van de drie pianisten. Shichijo speelde zeer afgemeten en technisch, Van Esser speelde het meest dynamisch, en Vandewalle het meest expressief (al ben ik het bij die laatste niet geheel eens met mijn eigen beschrijving). We hadden beiden ook een verschillende favoriet: Henri was helemaal weg van het stuk van Michael Blake, inclusief tone clusters waarbij Vandewalle met beide voorarmen op de toetsen ging leunen. Zelf was ik nogal te vinden voor de intertekstualiteit en de variatie in Sonate Nr. 3 in de prachtige uitvoering door Van Esser.

In mei is het volgende concert van de reeks, en Henri heeft al gezegd dat hij best mee wil.

Muziek door Bruno Bollaert Muziek door Bruno Bollaert Muziek door Bruno Bollaert

Zondag zat ik bij Opatuur in De Centrale –de eerste keer dat ik er dit seizoen geraakt ben, en het was meteen een schot in de roos. Tuur had tijdens Jazz in ‘t Park Marc De Maeseneer (de bariton saxofonist die o.a. bij BackBack speelt) bereid gevonden met een aantal kompanen naar de geïmproviseerde club in de cafetaria van De Centrale af te zakken. Geen drummers en geen zangeressen, zijn voor Tuur steevast de enige voorwaarden. En dus bleven Lien De Greef (Lady Linn) en Eva De Roovere braafjes tussen de rest van het publiek zitten. Dju toch, Tuur.

Het geïmproviseerde Marc De Maeseneer Trio speelde eigen werk, dat ze speciaal voor deze gelegenheid bij elkaar hadden gecomponeerd, en nog slechts zelden hadden kunnen oefenen (niet dat daar veel van te merken was). De composities waren heel lyrisch en harmonisch, en lieten, mede door de voortstuwende baritonsax, soms wel eens aan de Purcell bewerkingen van Michael Nyman denken.

Muziek door Bruno Bollaert

Gisteren dan, zat ik in De Munt –dat was eeuwen geleden– voor La Traviata. Het libretto is gebaseerd op het werk La dame aux Camélias van Alexandre Dumas (de zoon, niet de vader, die u nochtans zeker kent van De Drie Musketiers en andere avonturenromans). Het hoofdpersonage van dat boek is dan weer geïnspireerd op Marie Duplessis, de minnares van o.a. Dumas, die op 23-jarige leeftijd stierf aan tuberculosis. Het verhaal, hoewel bijzonder tragisch, is weinig geloofwaardig in onze tijd; het eerste deel van de opera is het mooiste –zeker wat het verhaal betreft. De echte tragiek begint pas in het tweede bedrijf, en eindigt met de dood van Violetta –tevens het slot van de opera.

Het orkest speelde bijzonder goed, gisteren. De timing zat goed, de klankkleur zat goed, de dynamiek klonk tragisch en zeker niet zoet-romantisch, hoewel dat een val was waar makkelijk in te trappen viel. Simona Šaturová, die Violetta zong, was zelf wat ziek, zo had men aangekondigd voor de opera begon, maar haar stem had daar niet echt onder te lijden. Ze zag er totaal uitgeput uit, op het einde, maar het is stemtechnisch en emotioneel dan ook een erg belastende (hoofd)rol.

We zaten helemaal achteraan op het parterre, onder het eerste balkon, waardoor de ondertitels (die in de opera eigenlijk boventitels zijn) niet leesbaar waren –als u geen rug- en/of halsletsel wil oplopen van een paar uur voorovergebogen te zitten tenminste. Voor de rest waren het uitstekende plaatsen, maar ik was toch blij dat ik mij eerder die dag ruimschoots in het verhaal had verdiept.

De enscenering was zeer geslaagd. Verdi had zelf steeds gevraagd om een hedendaagse invulling, iets wat hem bij de eerste opvoeringen van de opera werd ontzegd omdat de inhoud anders te confronterend zou zijn geweest. De manier waarop het in de munt werd gebracht, houdt een beetje het midden tussen Eyes Wide Shut en de decadentie van de jaren 80. Wie het zelf wil zien, kan terecht op de site van Arte, waar u de voorstelling van 15 december volledig kan bekijken.

Een heleboel jazz

De laatste tijd heb ik een paar interessante zaken gehoord, en ik heb verzuimd erover te vertellen. Er waren De Beren Gieren in Vooruit (28/02), die hopelijk niet te veel de cerebrale weg inslaan en zich lekker gek en wild blijven gedragen zoals een jonge groep dat eigenlijk moet. Diezelfde avond was er het trio Romano-Sclavis-Texier, waarvan werd beweerd dat de drummer niet echt meer mee kon. In het begin had ik het gevoel dat Sclavis een ander concert speelde dan Texier en (inderdaad vooral) Romano, maar ik had het meeste last van de vertrouwdheid met het materiaal. Hun Afrikaanse muzikale verslagen behoren ondertussen zo tot het jazz-erfgoed, dat onze verwachtingen soms te dicht bij de albumversies liggen. U kent dat wel, die ene plaat van die artiest of groep, die u hebt grijs gedraaid en waarvan u elke noot weet liggen nog voor ze gespeeld wordt (hoewel u eigenlijk geen noten kan lezen)? En als u dan naar een concert gaat, en die noten liggen niet dáár waar u ze verwacht, dan bent u daardoor een klein beetje ontgoocheld –hoewel de muzikant ze in die live versie muzikaal misschien nog beter in het nummer heeft ingepast? Dat gevoel had ik wat bij dat trio.

Een heleboel jazz door Bruno Bollaert

Het Monk tribute van Jason Moran in De Bijloke (07/03) was dan weer een fantastische show. Het deed heel Amerikaans aan, met de beeldprojecties achter de muzikanten, de visuele effecten (bijvoorbeeld de muts op Moran zijn kop), het verhaaltje (soms werd er iets té lang verteld), het documentaire effect, en Moran die virtueel meespeelde met Monk. Het had alle potentieel om een commercieel succes te zijn, en te oordelen aan het talrijk opgekomen publiek, was het dat ook. Ik heb ervan genoten om wat het was, inclusief de exit naar de foyer, waar de muzikanten nog even doorspeelden (cfr foto hierboven).

Een heleboel jazz door Bruno Bollaert

Daarna heb ik twee keer Robin Verheyen gezien. Eerst bij Opatuur (04/03), die voor de gelegeheid was uitgeweken naar de Gentse fotogalerij Flinxo, en waar de akoestiek niet zonder fouten was en de stoeltjes stonden opgesteld als in de tram. Het geringe aantal luisteraars maakte er het beste van, en Robin wist een heel boeiend solo concert op te bouwen. Een groot deel van de muziek die hij speelde, wordt overigens opgenomen, en wordt waarschijnlijk ergens in het najaar gereleased.

De tweede keer speelde Verheyen in Bozar (11/03), in double bill met Bojan Z (voluit: Zulfikarpašić). Het was er verschrikkelijk warm in de zaal. Slaapverwekkend warm, en met de weinig aanstekelijke solo muziek van Bojan Z, was het moeilijk om de aandacht erbij te houden. Bojan is een pianotechnisch virtuoos, maar ik miste wat dynamiek. Een uitbreiding met contrabas en drums naar trio was mogelijks interessanter geweest. Al heb ik nadien zijn soloplaat via spotify beluisterd, en dat klonk precies beter dan de live versie. Ik was niet echt ondersteboven van zijn Dad’s Favorite, wat niet meer dan een vermangelde versie van Nature Boy is. Maar bon, het publiek zat duidelijk vol fans, want er werd geapplaudisseerd dat het een lieve lust was.

Robin Verheyen was erg goed, al heb ik het meeste gemist. Het begon veel te laat (bijna 22 u –zijn schuld niet natuurlijk), en ik had een trein te halen om thuis te geraken. Robins muziek spreekt veel meer aan, is veel verscheidener, en hij trad voortdurend in dialoog met Ralph Alessi. En Thomas Morgan op contrabas is ook al een plezier om bezig te zien/horen. Het heeft al mijn wilskracht gevergd om weg te lopen om mijn trein te halen.

Een heleboel jazz door Bruno Bollaert

Donderdag (15/03) zat ik in De Werf voor The Claudia Quintet + 1. Ze brachten onlangs het album What Is the Beautiful? uit, waarin ze de poëzie van Kenneth Patchen in de jazzcomposities integreren. Dat gaat soms ver, want het album opent met Showtime, waarbij eerst de contrabas, en nadien ook de brushes, de voordracht van Kurt Elling volgen. Nee, Kurt Elling was er niet bij, op het concert, maar Theo Bleckmann heeft zich voortreffelijk van zijn taak gekweten (op het album nemen ze elk een aantal nummers voor hun rekening). De muziek blijft de hele tijd verbonden met de stem, op een heel natuurlijke/vanzelsprekende manier. Zeer geslaagd.

Baloni

Gisteren speelde Baloni –vorig jaar heetten ze nog Voladores– bij Opatuur in De Centrale. Joachim Badenhorst (rieten), Frantz Loriot (viool), Pascal Niggenkemper (contrabas) speelden er een afwisselende, dynamische set. Net zoals vorig jaar was Opatuur de start van hun toernee; hun cd is zonet verschenen bij Clean Feed (in België verkrijgbaar bij Instant Jazz). Ze komen in mei 2012 terug naar Gent en toeren ondertussen in Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Nederland.

Pascal Niggenkemper, Baloni @ Opatuur door Bruno Bollaert Pascal Niggenkemper, Baloni @ Opatuur door Bruno Bollaert

Ha! En ik heb ook twee stukjes opgenomen. Het eerste vindt u hieronder, het tweede alhier.

Voor de volgende Opatuur sessie begeeft u zich op zondag 4 december rond 20 u. naar De Centrale, alwaar u dan Bart Maris (trompet) & Peter Vandenberghe (piano) aan het werk kan zien.