de conifeer (ii): het verzoek

“Ja!”, klinkt het ongeduldig door de parlefoon.

– Goedenavond mevrouw, ik stoor toch niet? Zou ik u iets mogen vragen?

“Ik moet naar beneden komen zeker?”, klinkt het met een zucht. “Een moment.”

Na ruim vijf minuten wachten wordt de voordeur geopend. “En waarvoor is ‘t?”

– Goedenavond. Zouden wij u iets mogen vragen?

“Ge zijt al bezig hé.”

de coniferen de coniferen

– Huh. Ja. Sorry. Toen wij hier kwamen wonen hadden wij de ganse dag zon in onze tuin. Maar dat is elk jaar sterk verminderd, en sinds vorig jaar hebben wij eigenlijk bijna geen zon meer.

“Ge denkt toch niet dat ik mijn bomen ga laten snoeien zeker? Want ik hoor u al afkomen.”

– Dat was inderdaad wat ik u had willen voorleggen. Niet alleen zijn die twee bomen hevig in de hoogte opgeschoten, een groot deel hangt ook over onze tuin, en zelf mogen we daar natuurlijk niet aan snoeien.

“Wel, bij u is dat waarschijnlijk niet zo, maar ik moet dat eerst met mijn man overleggen. Maar ge moet er niet op rekenen.”

– En hebt u enig idee wanneer… begon het nog, toen de deur met een luide knal werd toegegooid.

(Een week later was er een aangetekende zending.)

cim

Zegt Peter (terecht):

Waarom De Morgen on line een weergave van de gedrukte krant verkiest boven een “echte” site, heeft minder te maken met vakmanschap of klantvriendelijkheid dan wel met het reglement van het Cim, lees ter verduidelijking eens het Reglement voor Echtverklaringen Oplage en Verspreiding Pers (PDF) (in het bijzonder Artikel 20 bis over On Line Abonnementen):

Ik broed al een tijdje op een artikel over het Centrum voor Informatie over de Media (CIM), en het verwondert mij eigenlijk dat nog niemand dat heeft gedaan (lijkt mij iets voor LVB) –misschien heb ik het over het hoofd gezien.

Met veel grootspraak gaat CIM er immers prat op mee te zijn met haar tijd: Om de evolutie van de nieuwe digitale ON LINE (sic) technieken te kunnen volgen, integreert het CIM in haar processenverbaal van echtverklaring, de titels van dagbladen en tijdschriften die aan de lezersmarkt ON LINE (sic) versies aanbieden. Het reglement in artikel 20 bis getuigt echter van een redelijk beperkte visie op die ontwikkeling.

Een beetje meer in detail (zoals Peter het ook reeds in de comments heeft geplaatst): zijn er enerzijds vormvoorwaarden, maar tevens financiële voorwaarden, waaraan een online publicatie moet voldoen voor CIM.

De vormvoorwaarden stellen dat de online versie zo dicht mogelijk de gedrukte versie moet benaderen. Vorm wordt hier op een zo ruim mogelijke manier bekeken, want vorm slaat zowel op vormgeving als op inhoud. Niet alleen moet een online versie van een krant dus alle informatie van het gedrukte equivalent bevatten (tot foto’s en –nationale– reclame toe), maar tevens moet die online versie zoveel mogelijk op de papieren versie gelijken. CIM stelt zelfs dat, om een artikel te kunnen lezen, dat artikel eerst op de volledige krantpagina moet worden getoond, alvorens men eventueel een uitvergroting van dat artikel mag tonen (wat dan in PDF, HTML, GIF, JPG of wat dan ook mag). Maar die tussenstap is noodzakelijk. De online versie van DM beantwoordt hier volledig aan (ook in de vorige versie), maar hoe zit het dan met de onvolprezen tekst-versie (HTML-versie) van DS?

DS biedt immers drie versies aan van de online krint: de krant in beeld, die, conform het reglement van CIM eerst de volledige pagina toont, waarne de lezer die pagina als PDF kan bekijken; de krant in tekst, die weliswaar nog steeds de rubricering van de papieren versie overneemt, maar niet langer de pagina-opmaak van de gedrukte versie weerspiegelt en dus, strict genomen, niet voldoet aan het reglement van CIM; en de krant in PDF, die enkel toegankelijk is voor de (louter) digitale abonnees van DS (dus mensen die geen papieren versie in hun brievenbus ontvangen), en die toelaat de volledige krant als PDF te downloaden.

(Heeft DS een deal gesloten met CIM? Tellen ze de bezoekers van de tekstversie niet mee?)

Naast de vormvoorwaarden stelt CIM ook een aantal financiële voorwaarden vereisten voor de online krant. Zo stelt men een gelijkheid van tarief voorop tussen gedrukte en online versies, al staat men een korting toe van maximaal 66% t.o.v. het papieren abonnement. Dat verklaart meteen waarom een digitaal abonnement voor DS zo duur is, en DM het lang niet heeft aangeboden, maar nu hetzelfde bedrag vraagt als voor het papieren abonnement. Een gecombineerd abonnement voor eenzelfde persoon, zoals zowel DM als DS aanbieden, telt voor CIM enkel mee als 1 abonnement –lijkt mij logisch.

Vergelijk de online abonnementen: 49 USD per jaar voor NYTimes vs 244 EUR per jaar voor DM vs 126 EUR per jaar voor DS. 126 EUR per jaar is overigens minder dan 50% (en geen 66%) van een abonnement op de gedrukte versie.

Het zou gemakkelijk zijn om te stellen dat CIM, net zoals het IFPI en andere gelijkaardige minder geëvolueerde organisaties, hiermee vooral in haar eigen vel snijdt. Alleen zitten er in CIM nogal wat vertegenwoordigers van de traditionele pers, die eigenlijk zelf zouden kunnen meebouwen aan een dergelijke ontwikkeling naar of van de digitale media. (Zouden ze kunnen omgaan met RSS abonnementen?) Hoe langer ze wachten, hoe moeilijker ze het zullen hebben om op te tornen tegen de regionale initiatieven, al zijn we natuurlijk nog lang niet zo ver.

(Wat betreft de gebrekkige online interface van de ‘nieuwe’ DM, denk ik niet dat de schuld daarvoor enkel bij CIM te leggen valt. Kijken we maar naar de creatieve oplossing van DS. En nu ga ik eerst mijn online krant lezen. DM heb ik bij het ontbijt al doorgenomen –de meer toegankelijke gedrukte versie vanzelfsprekend.)

territoriumdrift

Het werd ijzig stil.

Op onze verdieping in de lange dubbeldekker P-trein naar Brussel is meestal wel plaats ’s ochtends. Meestal is dan nog een onderschatting, want het valt slechts uiterst zelden voor dat er niet nog zitjes vrij zijn. Zo ook vandaag, dus ik mocht me op mijn gemak in een tweezit neervlijen, waarbij zowel ik als mijn medereizigers ervan konden uitgaan dat we allemaal een rustige en comfortabele rit tegemoet gingen. Helaas.

Vorige week reeds, had een medereiziger het noodzakelijk gevonden –hoewel er zelfs een vierzit vrij was– min of meer over mij heen naar de vensterplaats in de hoek van diezelfde tweezit te klauteren. Geen probleem, de plaatsen zijn er om benut te worden.

Edoch. Die man stonk uit al zijn openingen. Zowel zijn poriën als het leer van de vest die hij weigerde uit te trekken, wasemde de verzamelde geur van op zijn minst 4 jaar sigaretten uit. Onwillekeurig hapte ik naar adem, maar bij elke hap bereikte meer teer mijn luchtwegen dan de zuurstof waar mijn longen zo naar snakten. Van de geur van mijn versgewassen pull bleef enkel een wufte herinnering over toen we Brussel Centraal bereikten en de man zich gepanikeerd uit de hoek wrong. Pas vier uur later, tegen het einde van de voormiddag, keerde mijn ademhaling opnieuw naar een trager ritme en verdween de rauwheid uit mijn stem.

“Wat bedoelt ge: neen?!”

– Het spijt mij, meneer, maar ik wil niet opnieuw hetzelfde meemaken als vorige week. En het is niet alsof er geen plaatsen meer vrij zijn, nietwaar.

“Luister,” en met deze werd zijn stemgeluid beduidend luider, “ik ga daar zitten”, riep hij bijna, met een duidelijke klemtoon op ‘daar’ terwijl hij naar de plaats naast mij wees, “al moet ik over u kruipen!”

Een verkoudheid had de laatste dagen reeds de meeste fut uit mij gehaald, maar ik bleef volharden. Het was al lastig genoeg ademhalen met een verstopte neus (en hoofdpijn), dat ik het best zonder rook kon stellen. Wat ik hem ook trachtte duidelijk te maken.

“Ik zit al járen op die plaats, en gij gaat ze van mij niet afpakken.”

Huh? Hoewel ik zijn naam niet zag staan –al lette ik er wel op hem daar niet op te wijzen– kon het mij geen moer schelen waar ik ’s ochtends zat. Bijna was ik opgestaan om mij ergens ander te zetten, maar gezien ik mij belabberd voelde en mij naar eigen tevredenheid rustig had geïnstalleerd, voelde ik mij niet geneigd aan zijn eisen te voldoen. De man achter mij stelde voor dat hij zijn plaats dan maar overnam, maar die beantwoordde niet aan zijn wensen.

“Ik wil díe plaats”, herhaalde hij nog een paar keer. Steeds dringender werd zijn toon. Net toen ik dacht dat zijn drift zou escaleren, gaf hij op. Maar morgen zou het niet zo gemakkelijk gaan, verzekerde hij mij.

– En wat dan? Gaat u mij op mijn gezicht slaan?

Hij keek mij dreigend aan. “Het zou de eerste keer niet zijn.”

Pas toen hij ging zitten –helemaal alleen op een vierzit– en hij monkelend zijn boterhammen uit hun zilverpapier haalde, werd de stilte opnieuw overstemd door het geroezemoes in de wagon. Morgen is ver weg.