Ondertussen, op de bus

“Gaan ze nu echt dat mens dat er niet eens in slaagt haar eigen partij te leiden, een bestuursfunctie geven in een land dat meer dan 500 dagen nodig heeft om een regering bijeen te krijgen?”

Normaal gezien neem ik de tram naar het centrum. Sinds tram 21/22 door de PaGaS uit het centrum weggehouden wordt, moet ik naar de Kortrijksesteenweg trekken om in de buurt van de Zuid (lees: de OR en de Vooruit) te geraken, tenzij ik er een half uur over wil doen om met tram 24 de scenic tour rond Gent te rijden.

Gelukkig is er bus 6, die wel maar om het half uur rijdt, maar die mij rechtstreeks tot zowat de voordeur van Vooruit brengt. Er zit veel jeugd op die bus, maar af en toe ook wat ouder volk. Drie mannen zaten op de vierzit achter mij, en het ging over het topic van de voorbije 540 dagen. De regering komt eraan, de ‘toffe ministerportefeuilles’ zijn zo goed als verdeeld.

Verjaardag!

Het is vandaag een jaar geleden dat we naar de stembus trokken, zo hoorde ik op het nieuws van zessen. Enfin, wij trokken niet naar de stembus, maar hadden een volmacht gegeven, gezien wij vorig jaar in de VS zaten. En ziet, een jaar later zitten we nog altijd in dezelfde impasse van vier jaar geleden. ’t Zijn tijden.

Wij willen Leterme weg

In de krant citeert men Herman Van Rompuy tijdens het RTBF journaal: Leterme krijgt een tweede kans. Wij hopen dat hij zal slagen. Voor zichzelf en voor het land. (voorpagina DM, 25/11/2009)

M.a.w. laat ons nog maar eens experimenteren met België. Tegen Pasen moet er een definitief akkoord zijn over B-H-V, lees ik in de inleiding. Klinkt dat niet bekend in de oren? Werden tijdens Leterme I niet steevast deadlines gesteld om vervolgens met zo mogelijk nóg grotere regelmaat te worden uitgesteld? Hoeveel wangen heeft een Belg eigenlijk, om ze Leterme toe te kunnen keren? Hoe dociel is de Belg? Wanneer ís trop te veel?

Helaas ken ik (veel) te weinig van de Belgische politiek om gefundeerde uitspraken ter zake te maken. Maar soms lucht het gewoon eens op.

Democratie, maar niet voor het volk

Plato vond het maar niks, beweerde Karl Popper in The Open Society and Its Enemies, te veronderstellen dat politiek voor het volk zou zijn. In zijn beroemdste werk De Staat i (ook bekend als De Republiek) wrijft Plato Socrates ii –volgens Popper– politiek-totallitaire sympathieën aan. Binnen de filosofie van Plato’s vormenleer iii, bevindt zich immers ook een ideale Staat die ten alle koste dient bewaakt te worden. Plato’s Staat wordt dan ook geleid door zich superieur voelende machthebbers, wat Popper ertoe aanzet het systeem te omschrijven als een gesloten maatschappij, iets wat hij ook Hegel en Marx verwijt.

In België leven we gelukkig in een democratie, waarin we democratische hulpmiddelen kunnen hanteren. Niet iedereen is daar even gelukkig om, maar het is wel het directe gevolg van ons politiek stelsel. Eén zo’n middel is het referendum. Walter Pauli licht het toe in De Morgen: Het wordt even te veel voor Marc Van Peel.

In januari 1991, bij het Eerste Burgermanifest, en in mei 1992, bij zijn Tweede Burgermanifest, lanceerde Guy Verhofstadt die idee: “Het referendum is onontbeerlijk om maatschappelijke problemen die door de bevolking worden aangevoeld dringend op de agenda te plaatsen.” En omdat Verhofstadt nu eenmaal Verhofstadt is, was er een ‘je signe et persiste’ in zijn Derde Burgermanifest, in september 1994: “Er is nood aan volksraadplegingen waarbij het beleid niet van bovenaf wordt gestuurd, maar van onderuit, met name vanuit de buurten, de wijken en de gemeenten.”

Een volksraadpleging is niet vrijblijvend. Ik heb het in deze niet noodzakelijk over een eventueel legale binding die zulks oproept, maar wel over de maatschappelijke en morele binding die onherroepelijk wordt uitgesproken bij het aanwenden van dit politieke hulpmiddel. Deze binding staat overigens los van de optie of u voor dan wel tegen het principe van een referendum bent.

De politieke machthebbers, die vanzelfsprekend het beste met u voor hebben zolang uw visie met de hunne overeenkomt, laten graag uitschijnen alsof uw mening ertoe doet. Zo’n referendum, denken ze, is een ideale manier om hun visie door het volk te laten bekrachtigen, maar dan ook alleen maar dat. Het resultaat doet er eigenlijk niet toe, het is de uitleg achteraf die telt. We kunnen zulks bijvoorbeeld constateren aan de hand van het gekronkel van Van Peel (Pauli geeft een heel mooie argumentatie), of aan ‘het laatste woord’ van het Gentse gemeentebestuur dat zonder al te veel poespas de keuze van de Gentenaren naast zich neerlegde bij het al dan niet bouwen van een ondergrondse parking op het Emile Braunplein of bij het kiezen van een ontwerp voor de Waalse Krook. Inspraak kan, maar niet te veel, verkondigde Gentse burgmeester Daniël Termont over dat laatste in De Standaard: Discussie oud circus laait weer op (26/03/2006)

[…] over sommige projecten moet je als stad beslissen. Het Centre Pompidou zou in Parijs nooit gebouwd zijn indien men de Parijzenaars inspraak had gegeven. Dat is misschien brutaal, maar op bepaalde ogenblikken moet je als bestuurder durven beslissen. We zullen het project zeker voorleggen aan de publieke opinie, maar we zullen zelf beslissen.

De argumentatie dat alleen mensen stemmen die rechtstreeks bij de vraag betrokken zijn, kan evenmin een aanleiding zijn om de dwingende band van de volksraadpleging door te hakken. Een referendum zou dan wel kunnen, maar als er te veel als vanzelfsprekend beschouwde stemmen van zich laten horen, dan komt men plots met het NIMBY-effect op de proppen. Verhofstadt mocht dan nog zo duidelijk stellen dat bij volksraadplegingen het beleid niet van bovenaf wordt gestuurd, maar van onderuit, met name vanuit de buurten, de wijken en de gemeenten, de buurt wordt graag monddood gehouden als hun visie niet overeenkomt met die welke de politieke machthebber voor ogen had. Op die manier trachtte Van Peel de uitslag van het Antwerpse referendum weg te redeneren, en op gelijkaardige manier wordt het verzet van de inwoners van de Gentse stationsbuurt iv weggehoond als zij bezwaren opperen tegen de geplande hoogbouw. Dat laatste voorbeeld betreft geen referendum, zo zult u stellen, en daar hebt u gelijk in. We hadden het hier echter niet uitsluitend over referenda, maar over democratie en inspraak van het volk.

Inspraak, zo stellen we dus, is enkel gewenst wanneer het overeen komt met de visie van de machthebber. Dat is werkbaar in een democratie, waarin de machthebbers worden verondersteld te zijn gekozen door dat volk. Wanneer die machthebbers zichzelf echter door hun eigen besluiteloosheid genoodzaakt zien bij het volk te rade te gaan, dan mag dat volk op zijn minst in ruil krijgen dat er met hun advies wordt rekening gehouden. Gelukkig heeft het Antwerpse stadsbestuur dat ingezien. Hopelijk doen ze dat in Gent de volgende keer ook.

  1. Het meest bekende stuk daaruit is de Allegorie van de grot, waarin Plato zijn visie uiteen zet over onze kennis van de realiteit
  2. Zoals u waarschijnlijk weet, zijn van Socrates geen geschriften bekend. Socrates is ons enkel bekend via secundaire bibliografie (m.a.w. doordat anderen over hem hebben geschreven), en daarbj is Plato onze belangrijkste bron. De Socratische paradox bestaat eruit dat we niet weten in welke mate Socrates in die secundaire werken gefictionaliseerd is.
  3. Realiteit is een weerspiegeling van geïdealiseerde voorstellingen, die we als mens trachten te bereiken –maar niet kunnen bereiken.
  4. Voor u mij wegredeneert: ik haal dit voorbeeld enkel aan omdat ik het ken, als feit dus, en niet als waardeoordeel.

Het hoogste goed

Gisteren haalde ik mijn amazon bestelling op uit het postkantoor. Met de fiets, nog een geluk, want het postkantoor bleek al een tijdje verhuisd van de Martelaarslaan naar de Kortrijksesteenweg. Mijn fiets is overigens een dikke tien jaar oud (als het niet ouder is), en heeft het grootste deel van die jaren doorgebracht in ons ‘kot’ achteraan. Midden september heb ik hem van stof en de kattenurine gereinigd, de banden opgepompt, en de ketting gesmeerd. Die banden zullen eens moeten vervangen worden, bedenk ik net, maar dat zal toch maar pas gebeuren als ik er minstens één lek rijd.

Er zaten voornamelijk boeken in dat amazon pakje, waaronder een aantal zaken uit die Penguin Great Ideas reeks, maar ook The Nicomachean Ethics van Aristoteles. In de titel Ethica Nicomachea verwijst Nicomachos naar Aristoteles’ zoon, die mogelijks het werk heeft geredigeerd ofwel gewoon het boek aan zich kreeg opgedragen. We spreken over de 4e eeuw BC(E); het hoeft dan ook niet te verwonderen dat het één en het ander daaromtrent is verloren gegaan.

De Nicomachea handelen over de deugdethiek van Aristoteles, waarin de man op zoek gaat naar het antwoord op de vraag: hoe moet men leven? Het boekje –284 bladzijden in de Engelse vertaling; 329 inclusief appendices en inleidingen– leest heel vlot, en is verrassend meeslepend. De meest bekende (Engelse) vertaling is mogelijks die van W. D. Ross uit 1908, maar in de Penguin Classics lees ik de vertaling door J. A. K. Thompson, herzien door Hugh Tredennick. Boek 1, hoofdstuk 2: The science that studies the supreme good for man is politics.

Presumably this [de wetenschap die het meeste het hoogste goed ambieert] would be the most authoritative and directive science. Clearly this description fits the science of politics; for it is political science that prescribes what subjects are to be taught in states, and which of these the different sections of the community are to learn and up to what point. We see also that under this science come those faculties which are most highly esteemed; e.g. the arts of war, of property management and of public speaking. But if politics makes use of the other sciences, and also lays down what we should do and from what we should refrain, its end must include theirs; and this end must be the good for man. For even if the good of the community coincides with that of the individual, it is clearly a greater and more perfect thing to achieve and preserve that of a community; for while it is desirable to secure what is good in the case of an individual, to do so in the case of a people or a state is something finer and more sublime.

Let wel, we zitten nog maar aan het begin van de Nicomachea. Niettemin kunnen we hier reeds kenmerken zien van een mogelijke oorzaak van het wantrouwen van de massa voor politiek. Zijn we er nog wel van overtuigd dat de politiek het beste voorheeft met de maatschappij? Of hebben politici eerder het beste voor met zichzelf? Wordt onze visie niet beïnvloed door het beeld dat de media schetst van zowel de maatschappij als van de machten die haar regeren? Hoe kan men de massa leren daarmee omgaan?

Mijn fiets lonkt, ik ga in het park op een bank, lekker warm ingeduffeld, wat verder lezen.

Hoe ik socialist werd

Komt hij eindelijk politiek uit de kast, vraagt u zich misschien af? Welnee, de titel van dit stukje is een vrije vertaling van een opstel van —alweer— die dekselse William Morris, How I Became a Socialist. Socialisme is al lang niet meer wat het geweest is, en dat was zelfs al het geval in 1894, toen Morris voor het eerst zijn tekst publiceerde.

But first, I will say what I mean by being a Socialist, since I am told that the word no longer expresses definitely and with certainty what it did ten years ago. Well, what I mean by Socialism is a condition of society in which there should be neither rich nor poor, neither master nor master’s man, neither idle nor overworked, neither brain-sick brain workers, nor heart-sick hand workers, in a word, in which all men would be living in equality of condition, and would manage their affairs unwastefully, and with the full consciousness that harm to one would mean harm to all—the realization at last of the meaning of the word COMMONWEALTH.

Voor goed begrip moet dit gekaderd worden in de rest van zijn schrijfsels/filosofie, waarin hij het heeft over o.a. de herwaardering van de ambachten (tegenwoordig zouden we al blij zijn met herwaardering van manuele arbeid), en hij van leer trekt tegen de zielloze consumptie. Allemaal zeer actueel, die zaken, denkt u maar aan de boeren die hun melk met verlies moeten verkopen, en de commerciële hegemonie van de grootwarenhuizen wat betreft de voedselmarkt.

Het begin van het echte modernisme, brengen filosofen zoals John Berger aan, kan gedeeltelijk teruggebracht worden to the moment when we no longer relied on animals for utility, and they were withdrawn from daily life except as ornaments. Het citaat komt uit The New Yorker, en is te vinden in een artikel getiteld The It Bird – The return of the back-yard chicken. Het artikel vertelt hoe het opnieuw modieus is geworden om kippen te houden, een gewoonte die ergens rond het midden van de vorige eeuw was verdwenen. Toegepast op het artikel, verwijst Berger in zijn citaat naar het moment waarop eieren beschikbaar komen in supermarkten, waardoor de noodzaak tot het houden van kippen verdween. In dezelfde reeks waarin het boekje van Morris verscheen (Penguin Great Ideas) is er ook eentje van Berger te vinden: Why Look at Animals? (Ik heb het meteen besteld.)

Vergezocht? Wat dacht u van het onderzoek waarin kinderen gevraagd wordt waar ze denken dat de melk vandaan komt? (Antwoord: uit de supermarkt –ze leggen de link niet meer tussen de koe en de melk.)

Socialisme is zoveel meer dan de werkgelegenheid –of erger: integratie– waar voortdurend de nadruk op wordt gelegd. Wat aan de maatschappij mogelijks ontbreekt is een waardensysteem, een raamwerk voor een moraliteit, een samenhang –al brengt deze laatste paragraaf mij voorlopig veel te ver, en moet ik mij daar eerst nog in verdiepen. (Met de kans mijzelf later tegen te spreken natuurlijk.)

Uit de context

Als je het moet hebben van politici die denken dat ze de wereld kunnen verbeteren door met iedereen een kopje thee te drinken, ben je echt ver van huis.

Het citaat komt uit De Groene Amsterdammer (in hun dossier De kloof tussen autochtoon en allochtoon), en is van Rita Verdonk, van de partij Trots op Nederland en ex-minister van Vreemdelingenzaken. Het kopje thee drinken verwijst naar Marius Job Cohen, burgemeester van Amsterdam, en lid van de PvdA, waartoe ook Verdonks gespreksgenoot, Lodewijk Asscher, behoort. Cohen is overtuigd dat praten werkt (gelijk KBC), we niet overhaast tewerk moeten gaan, en dat men dus beter eerst een kopje thee drinkt alvorens tot actie over te gaan. Hij wordt verweten dat hij een Een theedrinkende knuffelaar is, die altijd maar [wil] praten, theedrinken en op de lange baan schuiven. De softe Cohen staat geheel in tegenstelling tot de bikkelharde Verdonk, die wel eens wordt omschreven als IJzeren Rita (cfr. Margaret Thatcher).

Het theedrinken van Cohen verwijst voornamelijk naar de softe aanpak van het incident met de El Tawheed-moskee in Amsterdam, die in 2004 ervan werd verdacht (illegale) radicaal-islamitische informatie te verspreiden, en dat die moskee gesponsord werd door een Saoedische sjeik, lid van de Moslim Broederschap en in direct contact met Osama Bin Laden. Eén van die boeken was Fatwas of Muslim Women, dat o.a. de besnijdenis en mishandeling van vrouwen zou propageren. (Het onding is in een verschrikkelijk slechte Engelse vertaling te downloaden als u de titel in Google ingeeft.)

Partij van hippies en yuppies

Eindelijk, dacht ik toen ik daarnet op mijn gemak in De Morgen het artikel ‘En toen eindigde de derde weg op een blinde muur‘ zat te lezen. Eindelijk durft iemand het eens te schrijven. Bart Eeckhout heeft het in dat artikel over waarom het socialisme op een dood spoor zit.

Als Louis Tobback nog een paar keer zijn cynische grap herhaalt dat de socialisten de tweede sterkste partij in Vlaanderen geworden zijn, dreigen ze het bij de sp.a-top nog te gaan geloven ook. Feit: het was zondag niet goed.

De socialisten hebben onvoldoende lef gehad, gaat het artikel verder, en bovendien hebben ze geen leidersfiguur om haar stem te laten horen. Meer nog: de socialisten zijn hun natuurlijke verbindingskracht met hun achterban kwijtgespeeld. De basiselementen voor de sociale maatschappij vinden we tegenwoordig ook bij de andere partijen terug, zoals CD&V en open VLD. De socialistische partij heeft zich ontzuild, en net daardoor verloren ze ook een groot deel van die achterban.

Door in te zetten op een soort ‘ethisch socialisme’ appelleerden ze aan een nieuw hooggeschoold electoraat, maar dat is dus niet altijd even trouw gebleven. [dixit Mark Elchardus, socioloog aan de VUB]

Eerder deze week schreef de Gentse burgemeester Daniël Termont nog vol trots: Sp.a is de partij van de volkshuizen én de lofts (in Gent klopt dat misschien nog nét). Het is jammer te moeten constateren dat de sp.a niet inziet dat daar een deel van het probleem in verscholen gaat. In het artikel wordt dit als volgt geïllustreerd:

“Van een arbeiderspartij zijn de socialisten overgegaan in een partij van hippies en yuppies”, valt de Nederlandse PvdA-analist Rene Cupers bij. “De yuppies werden verleid met mild marktdenken, de hippies met een libertair-progressieve agenda en een elitaire politieke correctheid, met name op multiculturele thema’s. Prototype van die koers is Freya Van den Bossche, die het bestond om met veel luister in Thailand te gaan trouwen. Dat je niet inziet dat je daarmee een slag in het gezicht geeft van je traditionele kiespubliek, zegt alles over de wereldvreemdheid van die elite.”

Het socialisme mist voeling. En ballen aan het lijf. Misschien is het tijd om terug tot de essentie te komen? Het zou jammer zijn mocht de sp.a nog maar eens van naam veranderen, om deze keer –in alle eerlijkheid– de ‘s’ weg te moeten laten.

het bush-gevoel

Kunnen we ons nu eindelijk van het Bush-gevoel i ontdoen? De eerste politieke partij ii (op één vanzelfsprekende uitzondering na) die zich constructief uitlaat over de toekomst en dus niet met de vinger wijst naar het verleden (tenzij naar zichzelf), mag rekenen op mijn stem.

Voor de rest ga ik u niet vervelen met mijn toogpolitieke bedenkingen. Tabula rasa!

  1. U gaat me toch niet niet vertellen dat ik de enige was die zich bij Leterme I (et fin) voelde als een Amerikaan die zich aan de regering Bush diende te onderwerpen?
  2. U hoeft zo verontwaardigd niet te kijken. Er zijn geen partijen meer. Er wordt in de politiek meer van partner gewisseld dan op een swinger’s party: van Open VLD naar LDD, van Vl.Pro naar sp.a, van CD&V naar Opus Dei. En de sp.a is zelfs niet socialistisch meer, zo stond onlangs in de krant. Hand in de lucht voor wie dat nog als een donderslag bij heldere hemel kwam.