Grmbl. In mijn –waarschijnlijk beperkte– ervaring zijn ze niet voor elkaar gemaakt, apple/mac en pc/windows. Veel meer dan een elementair uitwisselen van bestanden zit er niet niet echt in. Airport bijvoorbeeld, werkt perfect in een mac netwerk. Het is effectief een kwestie twee kabeltjes insteken (electriciteit en netwerk), en hopla, ge zit op het internet. Plaats er een tweede mac bij en ziedaar: een intern netwerk. Plaats er echter een pc bij, en oei-oei-oei.
Toen we Tessa’s MacBook van Las Vegas meebrachten, was het inderdaad zo eenvoudig. Zet aan, geef toestemming en de nieuweling zat zonder enige hinderpaal op het netwerk. Op 802.11n zelfs. Onlangs kreeg Tessa een pc voor het werk (de mac volstond niet in een werksituatie en ze raakte niet gewoon aan VMWare Fusion), met daarin standaard wireless network mogelijkheden (zoals de MacBook en zelfs ook 802.11n als we de specificaties mochten geloven). Maar kijk, het ding wou niet op het netwerk tenzij we het standaard op 802.11b/g zetten. Trager dus (en de MacBook daardoor ook) en minder robuust, maar goed, het lukt.
Een printer delen moet ook wel ergens lukken, en in vroeger tijden had ik mij daar wel op gesmeten, maar tegenwoordig heb ik daar geen zin meer in. Ik gedraag mij liever de normale consument, die gewoon wilt dat het werkt.
—
Toegegeven, ik ben geen fan van windows, maar dat doet hier niet terzake. De laatste versie waar ik mee heb gewerkt was windows 2000, en in Vista raak ik plompverloren. Ik moet de ganse tijd toestemming geven aan applicaties om dingen te kunnen doen, en dan heb ik nog niet eens software geïnstalleerd en tracht ik nog maar gewoon om met Internet Explorer op internet te geraken. Het plopt van de systeemboodschappen langs alle kanten. Een verschrikking.
Eén voordeel alvast: ik kom er niet (meer) aan, aan die pc. Maar smijt die MacBook gerust mijn richting uit.
