Minder is meer

We gaan wat minder bloggen vanaf nu. Niet dat de goesting geheel is verdwenen, maar ik betrap er mij toch steeds vaker op dat het een soort verplichting is geworden om dagelijks een post(je) te schrijven. Dat kan de bedoeling niet zijn. (Tijdgebrek helpt ook niet echt natuurlijk.)

“Dagelijks sinds 2003”, stond er in mijn colofon. Mogelijks wordt het nu dus wat minder frequent. Misschien geraak ik dan eindelijk eens wat meer van die computer weg.

Immobiel

Eigenlijk is dat wel goed, zo zonder mobiele computer zitten, ’s avonds. Tessa zit op congres, en ze heeft de MacBook mee (ik had het al voorspeld: ze gaat niks anders meer willen). Als ik ’s avonds nog iets wil doen, moet ik dus boven aan mijn bureau gaan zitten, en er gericht werken of browsen of mij anderzijds serendipiteitsgewijs op het internet begeven.

Het begrip zat duidelijk in mijn hoofd, maar ik kon niet op het woord serendipiteit komen. Dus heb ik er als volgt naar gezicht: ’t is een film, maar hoe heet die nu weer, en hij is met dingske, maar hoe heet die nu weer, wacht en die speelde mee, maar hoe heet die nu weer en die speelde in… Great ExpectationsGwyneth Paltrow – damn nee, dat is Sliding Doors en Bounce; wacht eens is dat geen acteur van de brat pack.. euh… The Breakfast ClubMolly Ringwald – nee, toch niet, ah: Grosse Point BlankJohn Cusack en ’t is Serendipity (met Kate Beckinsale). Gotta love the interwebs.

Maar ik zit liever beneden, als het avond is. Dus de computer gaat uit en ik ga wat verder lezen, denk ik. Of naar een film kijken. Het internet is heletegans van u, vanavond.

Meer uren!

’t Is een beetje druk: ik zit tot over mijn oren in de foto’s (zijn hopelijk morgen klaar), heb oedels vergaderingen, en moet nog een brief naar de RSVZ sturen, en ergens nog teksten klaarstomen ook denk ik.

Een streepje muziek onderwijl (zou ik dat ooit kunnen spelen?):

De Zigeunerweisen (Op. 20) van Pablo de Sarasate, oorspronkelijk voor viool en orkest (zoals hier met soliste Bojidara Kouzmanova, of de versie van Anne-Sophie Mutter op Carmen – Fantasie met James Levine en het Wiener Philharmoniker).

Cello (II)

De grip die ik onthouden had van de eerste les had ik voldoende geoefend, enkel mijn duim en pink moesten nog beter. Maar ziet, ik mag strijken! Op twee snaren nog wel. De re en de sol (de middenste twee) zijn de minst moeilijke om mee te beginnen. Voor de buitenste, de la en de do, moet men immers de rechterarm te veel kantelen naar resp. boven of beneden om comfortabel het strijken aan te leren.

Het sleutelwoord is ‘ontspannen’. Ontspan de grip, de hand, de arm, de schouders, het ganse lichaam; de snaar wordt niet tot trillen gebracht door kracht, maar door de balans van de strijkstok en het gewicht ervan. Het klinkt allemaal wat overweldigend, en voor een beginner is het dat ook, maar Thomas zegt dat de strijkstok een heel vanzelfsprekende verlenging van mijn arm gaat worden. We are the Borg, you will be assimilated!

Ondertussen lees ik het boek Never Too Late van John Holt uit 1978. Holt was een muzikale laatbloeier, die op zijn veertigste cello begon te spelen (daarvoor zong hij al, en speelde hij dwarsfluit, dus zo’n muziekn00b was hij niet echt). Het eerste hoofdstuk beschrijft A Week of Music, zijn muzikale week zoals hij ze beleeft wanner hij het boek schrijft (en dus al cello speelt). Enorm herkenbaar wordt het, wanneer hij beschrijft hoe hij zijn plaats zoekt in het orkest waarin hij meespeelt.

It is a new piece, new for us, new certainly to me. I have a faint hope that since we are reading it through for the first time the conductor will take it at a slightly slower tempo, which will give me a chance to catch a few more of the notes. No such luck. We take it at full speed, faster, even, than many professional orchestras. Most of the players are considerably better than I am, and certainly better music readers; even if the music sounds a bit ragged, they are catching most of the notes. Ahead of me I can see the fingers and bow of our number three cellist flying over the instrument. No problems for her. For me it is a wild scramble. It is hard for me even to make my eyes move fast enough across the lines of notes, let alone play those notes. My mind is full of frantic thoughts. Here come some quarter notes, I can play them at least. But now a strange-looking passage. Are these octaves? How in the world do I finger this section? How do I play it when I don’t even know what it sounds like? Ah, three measures of rest. At least I can count this, one-two-three-four, one-two-three-four, one-two-three-four, play! Oops! Too soon; I am a beat ahead of the cellists in front of me. How in the world could I have miscounted those measures of rest. Could they have made a mistake? No. No time to worry about it; here come a bunch of sixteenth notes, I’ll never make them at this tempo. Try to catch the first note in each group of four, the way they all tell you. That’s a lot easier said than done. […] Out of the corner of my eye I see that my partner has lost his place. With the left index finger I point it out to him on the music, moving the finger along for a measure or two until het gets the swing of it.

Ik kan niet onder woorden brengen hoe herkenbaar dit is. Zelf in het orkest van de V.E.M., waar het er allemaal nog gemoedelijker aan toe gaat, en niemand aan zijn lot wordt overgelaten. Uiteindelijk moeten we natuurlijk wel de stukken doorspelen, en als het een stuk is dat ik nog maar amper heb gespeeld (of geoefend), dan is mijn ervaring toch wel heel gelijkend op wat Holt beschrijft. Karen, de andere tenorsax in het orkest, staat veel verder dan ik (ze speelt de ingewikkelde passages soms gewoon van het blad), maar ook wij duiden voor elkaar meer dan eens op het blad waar we juist zitten in het stuk dat we spelen.

Wat trouwens erg helpt bij een nieuw stuk (om thuis te oefenen, in het orkest is daar geen mogelijkheid toe), is dit:

He also told me of something I now do often, which is to take a piece of music and hum aloud (or tap) the rhythm. In this way I can get the rhythmic feel of a piece before actually trying to play the notes.

Ik had het trukje zondag (nog voor ik het terugvond in dat boek) aan Tessa geleerd, die zich door een moeilijke passage aan het werken was (met o.a. een achtste rust aan het begin van een maat). En tegelijkertijd sloeg ik mezelf voor het hoofd omdat ik dat vanzelfsprekend zelf veel te weinig toepas.

Tante Maria

Tante Maria door Bruno Bollaert

Vandaag gingen we op bezoek bij Tante Maria. Ze is 94, en kijkt met twinkeloogjes uit naar haar honderdste verjaardag. Haar vertelsels zaten vol situationele humor, we lagen herhaaldelijke keren (net niet letterlijk) op de grond van het lachen. “Ge denkt dat omdat ik een beetje doof ben dat ik u niet hoor hé”, knipoogde ze.