verhaaltjes

You are currently browsing articles tagged verhaaltjes.

…en dus heb ik het eeuwige leven.

“Ik was bijna dood”, zeg ik hem als we in bed liggen na te zinderen. Hij kijkt niet op, maar zucht.

Het was een bus. Ik weet niet waar ik zat met mijn gedachten of met mijn gehoor –ik heb een fantastisch gehoor, moet u weten. Ik hoor het gepiep van een televisie met het geluid uit. Ik hoor het dichtslaan van een autodeur aan de overkant van de straat als ik in de tuin achter het huis zit. Ik kan blind een straat oversteken omdat ik het verkeer hoor aankomen. Behalve daarnet.

“Het was een bus”, leg ik hem uit. “Ik stond op het voetpad, stak over, en plots was daar een luid getuut, een bus die voorbij raasde, en ik die terugsprong op dat voetpad. Allemaal tegelijk.” Hij zucht opnieuw.

“Ik was bijna dood”, herhaal ik.

Of ik had dood moéten zijn. Het heeft geen seconde gescheeld of ik was dood, pleegt men wel eens te zeggen, en in mijn geval kon dat niet dichter bij de waarheid zijn. De bus, het getuut, de wind, de sprong, ik weet niet eens meer in welke volgorde het zich allemaal heeft afgespeeld. Was ik geen boek aan het lezen? Werd ik niet net opgebeld?

“Die bus ging door mijn lichaam heen”, probeer ik. “Ik heb hem gevoeld. Zoals een wind, maar dan niet langs maar wel dóór mij heen. Tastbaar.” Hij zucht zelfs niet meer.

“Ik wás bijna dood”, zeg ik nadrukkelijk.

Mensen lopen hysterisch door elkaar, de chauffeur twijfelt, geheel in schok, of hij de ruitenwissers zou gebruiken om bloed en hersenen van zijn voorruit weg te vegen. Onder de bus –het is zo’n lang harmonica-onding vanzelfsprekend– ligt mijn lichaam, helemaal vermangeld. De meest dichtsbijzijnde omstaanders draaien zich kotsend om, enkelen hebben zelfs bloed op hun jas. Het begint te regenen, eerst zachtjes, dan een steeds heviger neerslag en in de verte zwelt de donder aan en dan verschijnt een bliksemschicht.

“Maar ge zijt niet dood”, klinkt het plots, nuchter én slaapdronken naast mij, terwijl zijn hand mij zoekt. “Ge zijt een god en gij kunt niet sterven.”

Tags: , ,

Zoals Huug (en later ook, in het humaniora, Michel), heb ik mijn broek destijds in Sint-Barbara versleten. Zowel het college als de basisschool vormden het decor voor mijn jeugd–na eerst de drie kleuterklasjes en het eerste jeerjaar op de Nouveau Bois te hebben doorgebracht. Ik heb slechts vage herinneringen aan die basisschooljaren.

Van de Nieuwen Bosch herinner ik mij dat ik een gastje uit mijn (kleuter)klas met mijn boekentas rond zijn oren heb geslagen –zo wordt het nog immer verteld– omdat hij mij erop wees dat “hey, Bruno, kijk: uw moeder is daar”. Waarop ik blijkbaar gevat antwoordde: “ja, ik zie dat zelf ook wel”, gevolgd door die draai rond zijn oren. Ik herinner mij ook dat we daar naailessen hadden –Nieuwen Bosch was in eerste instantie een meisjesschool; jongens werden slechts tot in het tweede studiejaar toegelaten– en dat ik dat best leuk vond. En dat ik –voor die ene keer dat ik daar eens moest blijven middagmalen– ik de soep daar zo lekker vond, dat ik tot grote consternatie van de meiskes aan mijn tafel, mijn bord geheel heb schoon gelikt, zoals de katten dat doen. Maar ook dat de juffrouw van het tweede leerjaar mij uit het eerste leerjaar –aan de overkant van de gang– kwam halen, om bij haar –een jaar hoger dus– de rekensommen te komen oplossen waar haar leerlingen kop nog staart aan kregen. Ik eindigde dat jaar met 99% op mijn rapport.

“Hij heeft meer discipline nodig,” moet mijn moeder gedacht hebben, “en een grotere intellectuele uitdaging.” Dus stuurden ze mij naar Sint-Barbara.

In Sint-Barbara kwam ik ook terecht bij meneer De Vleesschouwer. Bij het eerste rapport waren mijn punten met 4% gezakt. Al stonden daar geen punten op, en prijkten er nog allemaal E’s (van Excellent) op mijn rapport. Niettemin was dat een ramp volgens mijn moeder, die nauwkeurig mijn DP’s (dagelijkse prestatie of toetsen) bijhield en heel bezorgd om een audiëntie met de meester verzocht. Dat ik nog altijd den eersten was van de klas, maakte niets uit, mijn rapport vermeldde tevens dat ik een speelvogel was, en meer aandacht moest geven tijdens de les.

Er heerste discipline, maar ik heb –gelukkig– niets meegemaakt dat mij voor de rest van mijn leven heeft getekend. Al denk ik soms nog terug aan Hendrik V., die zulk een schrik had opgedaan dat hij tijdens de les liever in zijn broek deed, dan zijn vinger op te steken om de meester te vragen of hij naar het toilet mocht. Hendrik zat op de bank vóór mij, en ik kan mij nog probleemloos voor de geest halen hoe langzaam een plas urine onder zijn stoel werd gevormd.

In het derde zat ik bij meneer De Maesschalk, en ook daar was ik genoegzaam PIP (geen nood, in het middelbaar zou dat allemaal veranderen). Enkel als de anderen het echt niet konden oplossen, werd ik aan het bord geroepen. Ik had al lang geleerd mijn voortdurend genegeerde vinger niet langer op te steken wanneer er om een antwoord werd verzocht. Op één zo’n zeldzaam moment dat ik toch aan bord werd geroepen, twijfelde ik een halve seconde om van mijn bank op te staan. Tijd genoeg voor een kort “hebt ge mij niet gehoord, misschien, Bollaert?” Let wel, het was geen plotse opstoot van rebellie die mij deed twijfelen.

“Kijk mevrouw,” heeft meneer De Maesschalk achteraf aan mijn moeder toevertrouwd, “het heeft alle zelfbeheersing gevergd die ik had, om niet in lachen uit te barsten toen Bruno toch naar voor kwam.” Bruno, die zich stierlijk verveelde tijdens de lessen, had er immers niets beters op gevonden dan de inhoud van zijn pennenzak geheel in zijn kousen weg te steken. Met uitgestreken gezicht heb ik de oplossing aangevuld, en ben ik –ijzig kalm en onder de verpletterende stilte van de even gedisciplineerde klasgenootjes– terug naar mijn plaats gewandeld. “Correct zoals gewoonlijk, meneer Bollaert”, verzuchtte de meester.

Tags: , ,

Suzannah

Suzannah hoort stemmen.

Ze had geglimlacht toen ik aan het tafeltje naast haar plaatsnam. Het was het enige vrije tafeltje in het café, en ik had dan ook niet zomaar aangenomen dat die glimlach voor mij bedoeld was. Ik ben nog al verlegen, weet u wel. Dirk had mij zonder veel plichtplegingen mijn wekelijkse cappuccino voorgeschoteld, en ik was al gauw opnieuw in mijn zoveelste boek verdiept.

“…en van dat moment af hóórde ik de mensen.”

Ze had het gehad over geestesverruiming, en hoe we ons moeten openstellen voor alles en ons laten overspoelen door indrukken, zoals kinderen dat ook doen. Op een bepaald moment was ze daarin geslaagd, beweerde ze, en sindsdien hoort ze stemmen.

“Niet dat ik geesten zie of met de doden kan praten”, glimlachte ze opnieuw. “Het is meer zoals gedachten lezen.” Ze nam mijn hand vast die ik had opgeheven om haar te onderbreken, en liet die, betrapt door haar eigen impulsen, net zo gauw weer los. Haar hand was zacht en warm geweest en liet daardoor een gemis achter. “Ik weet dus ook waar gij nu aan denkt.”

God, ik hoop het niet, dacht ik, terwijl ik mij wanhopig van de beelden poogde te ontdoen die zich spontaan voor mijn geestesoog hadden opgeworpen. Denk aan kookboeken. Of Nigella Lawson! (Nee, niet Nigella!) Of koffie! riep ik mijzelf toe. Denk! Aan! Iets! Anders!

Maar het was te laat, zag ik aan haar gezicht, dat ze met weinig succes in de plooi trachtte te houden. Mannen zijn ook zo doorzichtig.

Tags: ,

Het was ergens niet zo lang na die 11e september dat ik voor het werk naar de Verenigde Staten trok. De staalindustrie was –na het ongeplande smelten van het stalen skelet van de twin towers– druk doende de andere industrieën ervan te overtuigen dat staal toch de beste keuze was als grondstof voor auto’s, huizen en blikvoer. Meerdere lobbygroepen werden opgericht, meerdere publicaties verzorgd, en enkele websites uit de grond gestampt. De Amerikaanse markt was een belangrijke, en dus werd minstens één van die sites aldaar bepland. Of ik eens wou gaan kijken: drie dagen ter plekke, all expenses covered, business class vluchten… the works.

De man die de site coördineerde deed zulks van thuis uit, al werd een dedicated server uitbesteed aan een lokaal webbedrijfje met veel te veel personeel en dito overhead. Die managed dedicated server was nodig, zo vond men, want er mocht niks mislopen voor de toch wel 100 bezoekers per maand, grotendeels secretaressen van personal assistants van vice-managers van de grote bazen die zelf niet in de verste verte met dat internet in aanraking wilden komen. Zogezegd omdat het onveilig was, maar eigenlijk omdat ze te oud waren en geen zin hadden om zich met die nieuwe technologieën bezig te houden. De staalindustrie is oerdegelijk en conservatief. Een laatste bastion, zoals er wel meer zijn.

Zo ook Joe –voluit Joseph, maar enkel voor zijn moeder heette hij nog zo– die zelfs naar Amerikaanse standaard uiterst conservatief was. Pro-Amerika en dus pro-oorlog en pro-Bush en tegen Frankrijk (hij at enkel freedom fries, maar wel in grote dagelijkse porties) en dus (?) tegen Europa –wat ten andere de reden was waarom ik daarheen ging, en hij niet hierheen komen wou. En waarom die dedicated server in Ann Arbor, Michigan stond, en niet in London. Joe had lang in de staalindustrie gewerkt (Detroit was vlakbij), maar had –ondanks zijn leeftijd– zich toch met dat internet verzoend, omdat hij ervan overtuigd was op die manier zijn reeds riante pensioen gemakkelijk te kunnen aanvullen. “I’ll write up the report for you,” was zijn begroeting toen hij me de ochtend na mijn aankomst in één van de meer luxueuze hotels van de buurt kwam ophalen, “so I can just show you around a bit and we can have fun.” Ik moest er vooral niet aan denken zijn lucratieve zaakje onderuit te halen, mocht ik daaronder verstaan, en in ruil zou hij mij, die Europeaan (ik zag hem dat woord denkbeeldig uitspuwen), gerust een paar dagen tolereren.

In België deponeerde ik zijn rapport samen met het mijne in de in tray van mijn baas, die me anderhalve dag later bij hem ontbood. Hij kende Joe goed, beweerde hij, en terwijl hij bewondering had voor mijn eerlijkheid, was zulks eigenlijk een beetje uncalled for. Mijn baas kwam uit Sheffield, Engeland, waar hij had gewerkt voor British Steel, maar was tijdens de fusie tot Corus eerst kort in Nederland en nadien in België terecht gekomen. Zijn favoriete uitspraak was “a blind man on a galloping horse couldn’t see the difference” en “you’ve got the ball now run with it“, al betekende dat laatste dat hij het wekelijkse rapport op tijd verwachtte, en vooral niet dat we initiatief zouden nemen. “That attitude will get you nowhere“, waarschuwde hij meermaals, en onder die noemer viel blijkbaar ook mijn rapportering over mijn trip naar de Verenigde Staten. Het was meteen ook de laatste keer dat ik alleen die richting uit mocht, want voor alle verdere uitstapjes werd ik steevast vergezeld van een senior manager die veel beter dan ikzelf wist hoe met het zakenleven om te gaan.

Joe had mij toevertrouwd dat hij zonder enige aarzeling opnieuw voor Bush zou stemmen. “We need to be firm with the world“, had hij gesproken, “and the republicans deliver!” Hij stond erop mij persoonlijk naar de luchthaven te brengen, waar hij mij een manilla enveloppe in de hand duwde met daarin zijn rapport. Afgedrukt op letter papier natuurlijk. “Remember this“, zei hij terwijl hij mij een potige hand gaf en strak in de ogen keek bij het afscheid.

Tags: , , ,

choco

Voor ge weer uw kleren uit doet, waarschuw ik Tessa als ze van haar werk thuiskomt, moet ge weten dat er mannen op het dak zitten. De hele dag al –of toch op zijn minst sinds we van Capitol Hill 60 Minutes Photo zijn teruggekomen– kruipen er mannen op het dak van ons huis. Vanochtend miezelde het, en toen ik hun bezwoer voorzichtig te zijn, wees de stoerste naar zijn kruis en antwoordde: “not to worry, we’ve got a harness, and anyway, he’s going to belay me“. En voorwaar de man was getuigd in een veiligheidsharnas voor bergbeklimmers. Niet veel later kledderden alle goten van het huis naar beneden en daarna sleepten ze nieuw materiaal naar boven en hoorden wij het ritmisch gedraai van elektrische schroevendraaiers.

Zoals verzocht hield Tessa haar kleren aan. De mannen waren toen nochtans al lang van het dak weg –van de vakbond mogen ze niet langer dan tot 17u werken– maar op één of andere manier vond ik het grappig om dat alsnog voor haar verzwegen te houden. Samen met Henri sloeg ik haar verwoedde pogingen gade om een glimps van de YMCA-mannen(*) op te vangen.

Wat doet een mens overigens, als de Nutella op is, het buiten miezelt, en hij geen zin meer heeft om nog eens het huis te verlaten? Juist, hij maakt zelf chocopasta. Zonder noten weliswaar, want die hebben we niet in huis, en als we daarvoor het huis moesten verlaten, konden we evengoed meteen choco gaan kopen.

Smelt wat chocolade, smelt er wat boter bij, klop er één eigeel door, en vouw er –afzonderlijk stijf geklopt– twee eiwitten onder. Laat al dan niet afkoelen, et voilà: chocopasta. De overschot bewaart u in de ijskast tot de volgende dag –bonuspunten als dát lukt– een beetje zoals met versgemaakte mayonaise(**).

choco

Totdaar mijn dag in a nutshell. Morgen gaan we naar het aquarium, denk ik. Of het moet zijn dat het stortregent. Al zou mij dat erg verbazen, met de huidige hittegolf.

(*) Ik bedoel maar, dit is Seattle, gay capital of the USA –misschien op het San Francisco van de jaren 70 na– en van elk cliché loopt hier wel minstens één verpersoonlijking rond.

(**) Ook al zo eenvoudig. Eén eigeel (of twee, als u insisteert), een toefje mosterd, een vlekje zout, flink dik kloppen. Stilletjes olie bij gieten, blijven kloppen, en als het dik genoeg is, mag u stoppen. Afwerken door er een weinig azijn aan toe te voegen. De rest (bieslook, extra mosterd, kappertjes, pijpajuintjes, peterselie, …) vult u zelf maar aan.

Tags: , , ,

Busted!

Toen we terug thuis kwamen van Parijs stak er tussen de hoop correspondentie een wit linnen zakje, iets groter dan een halve A4 (iets langer vooral). Aan de buitenkant kleefde een luchtpost vignet en Customs Declaration formulier van de USPS. Op het adreslabel was in mooie letters Fray geprint. Het zakje is hier tot vandaag ongeopend blijven liggen. Ik wist immers wat erin zat, en ik wou er een foto van nemen voor ik het opende, maar dat kwam er maar niet van.

Busted!

The Fray is een van de oudere websites, en had zich als doel gesteld verhalen te verzamelen. Er werden zelfs heuse vertelavonden georganiseerd waarop iedereen zijn ding live kon brengen, en het gebeuren werd al gauw redelijk populair. In mei van 2005 sloot The Fray haar deuren, om zich te herbronnen.

Begin dit jaar gingen de deuren van de website opnieuw open. Dezelfde focus op verhalen bleef behouden, met dat verschil dat ze nu ook worden verdeeld via een magazine, waarvan er één editie per kwartaal is gepland. De meeste verhalen kunnen ook online worden gelezen, maar zo’n tijdschriften in uw handen houden, dat blijft toch nog steeds een onbeschrijflijke meerwaarde hebben. Meer had ik niet nodig, en voor ik het goed besefte, had ik op de subscribe now knop geklikt, en een Toe-Dipper exemplaar besteld om eens te proberen.

Proberen, ja, want het blijft duur, om zoiets uit Amerika te laten overkomen. McSweeney’s is nog zoiets waar ik graag een abonnement op zou nemen. Maar zo duur: overseas shipping ranges from $20-$85!

Tags: ,

jeroom

“Wat zegt ge?”, slaakte de man net niet uit –al was zijn verbijstering duidelijk. “Dus uwen auto is perte totale?”

Hoewel hij helemaal achteraan in de bus zat, en ik hem niet kon zien, voelde ik hem gewoon ijverig knikken in zijn telefoon. Ik deed mijn uiterste best de rest van de conversatie niet te volgen, en was blij toen hij –onderwijl een paar keer “maar enfin” murmelend– eindelijk inhaakte. De stilte was van korte duur.

“Jeroom! Jeroom maat, mag ik u ne keer wat vragen. Dingske ligt in het hospitaal, ik heb net met haar gebeld.”

De bus was zo goed of leeg, enkel de anonieme beller achteraan en een oudere mevrouw vooraan hielden Henri en mijzelf gezelschap op de terugweg van de trompetles. Mogelijks was daaraan het gebrek aan discretie te wijten, al heb ik ontdekt dat de mensen tegenwoordig maar weinig schroom vertonen als het gaat over het in detail treden van de meest persoonlijke zaken via hun mobieltje op het openbaar vervoer. Het is het soort schroom dat ik maar niet kan overwinnen –misschien is dat een teken van ouderdom– maar waar ik vanzelfsprekend met ongepaste geboeidheid naar kan luisteren.

“Neenee, het is serieus deze keer. Haar schouderblad is gebroken, en haar ruggenwervel, en haar auto is totaal kapot. Ze ligt in het ziekenhuis, en nu wou ik vragen of ge soms deze week geen tijd zoudt hebben om effekens mee te gaan met mij om haar te gaan bezoeken.”

Hij vermeldde de locatie van het ziekenhuis en de kamer waarin de juffrouw lag, en luisterde naar het antwoord van zijn maat.

“Moeilijk deze week? Allez, Jeroom,” klonk het vol ongeloof, “dat meiske heeft dus wel haar armen gebroken hé. En ze heeft een paar ribben gekneusd, en haar benen gebroken, en er is iets met haar hoofd ook…”

Het kon waarlijk moeilijk erger klinken, en Jeroom stelde vermoedelijk de vraag die ook in mij opkwam.

“Wat ze dat niet gebroken heeft? Ja, dat weet ik ook niet. Maar Jeroom… Jeroom… dat meiske heeft het dus nu vooral gewoon nodig om mensen rond haar te hebben hé Jeroom. Maar als ge echt niet kunt, dan ga ik wel alleen… Ja. Ja. Gans kapot, ja. Oei. Ik bel subiets terug.”

…want op dat moment arriveerden we aan het Sint-Pietersstation, waarop de beller de bus uitstoof om zijn verbinding niet te missen. Ik hoop maar dat Jeroom dat meiske gaat bezoeken.

Tags: , ,

« Older entries