Kroniek van een aangekondigde migraine

Het was geen goed idee, om dinsdag naar de Hot Club te gaan. Niet omdat het programma niet goed ware, niet omdat er veel volk was, niet om enige andere reden die met de Hot Club zelf zou te maken hebben. Daags voordien was ik nog naar de jazz lezing in de Blandijn gaan luisteren. De beste lezing tot nog toe trouwens, door Matthijs de Ridder, de auteur van Rebels Ritmes (waar mee het boek weer naar boven op mijn te lezen stapel verhuist). Ik had de eerste paar minuten –en dus de inleiding– gemist, en toen ik het auditorium binnen stapte en mijn vaste plaats vrij vond, was de Ridder bezig een boeiend verhaal te vertellen. En de man kan vertellen, op een rustige, getemperde maar niettemin beklijvende en zelfverzekerde manier, loodste hij ons door de begindagen van de jazz. Ik zal waarschijnlijk geen tijd genoeg hebben om het helemaal af te ronden, verontschuldigde hij zich, en terwijl die uitspraak mij eerst een beetje met vrees vervulde (ellenlange lessen van zichzelf zo interessant vindende profs doemden in mij op), vloog de tijd voorbij. Na afloop was ik te moe en vond ik het het koud, om toch nog naar de Hot Club af te zakken, zodat ik maar naar huis ben afgedropen. (Waar mijn hoofd nog net mijn kussen raakte voor ik in slaap viel.)

De volgende ochtend heb ik mijzelf wat afgemat op de crosstrainer (een uurtje aan 13 km/u op een weerstand die steeds hoger werd dan goed voor mij was), vervolgens een hele hoop nuttig werk verricht (yay), en ’s avonds besloot ik moe en afgemat en tegen beter weten in, toch naar de Hot Club te trekken voor dat concert van het Bart Defoort Quartet. Het was al eeuwen geleden dat ik Hans Van Oost nog eens aan het werk had gezien (dat, en de website vermelde Van Oost als pianist ipv gitarist, en terwijl ik wel wist dat het gewoon een lapsus was, kon ik niet anders dan daar toch een beetje benieuwd naar zijn). Ik trof er ook Dirk Roels, de presentator van het fantastische urgent.fm programma Jazz Rules, die mij meesmuilend beloofde niet met zijn voet op de grond mee te tikken. Ik nam wijselijk toch maar áchter hem plaats.

Hans Van Oost speelt nog steeds zoals die eerste keer dat ik hem bij Opatuur hoorde. Een warme, vingervlugge sound zonder overdadige klemtoon op techniek, en met voortdurend ruimte voor een soepelheid die enige improvisatie van hem mocht vereisen. Ik verzuim de andere muzikanten te karakteriseren, het vakmanschap van Bart Defoort zelve, de uitbundigheid van bassist Christophe Devisscher, en de iets te enthousiaste geestdrift van drummer Toni Vitacolonna, die zich met elke slag dieper een weg in mijn hoofd leek in te beuken. Tegen de tijd dat de eerste set goed onderweg was, begon ik immers barstende hoofdpijn te krijgen (opnieuw: dat had niets met de muziek zelf te maken), en de migraine drong zich nu helemaal aan mij op. Ik heb het nog net uitgehouden om de eerste set uit te zitten; het is niet elke dag dat Bart Defoort komt spelen.

Thuis ben ik het bed in gestrompeld, de volgende dag ben ik het even uitgekropen om brood te snijden (of het gezin had geen eten ’s middags), en dan ben ik met een overdosis Spidifen opnieuw in bed gaan liggen. Papa zag er verschrikkelijk uit, had de zoon aan zijn moeder verteld, toen die zich afvroeg waarom ik geen fruitsap kwam persen en koffie kwam zetten. Maar bon, ’s avonds ben ik toch naar De Walrus kunnen gaan eten, op vraag van goede vrienden, al ging ook daar het licht abrupt weer uit na een tijd. En u mag zich daar echt bijna een binaire schakelaar bij voorstellen.

Het gaat beter, dank u. Ik heb gehoord dat er vanavond iets in de Hotsy Totsy te doen is. Zou ik durven…