Ik ben een god

…en dus heb ik het eeuwige leven.

“Ik was bijna dood”, zeg ik hem als we in bed liggen na te zinderen. Hij kijkt niet op, maar zucht.

Het was een bus. Ik weet niet waar ik zat met mijn gedachten of met mijn gehoor –ik heb een fantastisch gehoor, moet u weten. Ik hoor het gepiep van een televisie met het geluid uit. Ik hoor het dichtslaan van een autodeur aan de overkant van de straat als ik in de tuin achter het huis zit. Ik kan blind een straat oversteken omdat ik het verkeer hoor aankomen. Behalve daarnet.

“Het was een bus”, leg ik hem uit. “Ik stond op het voetpad, stak over, en plots was daar een luid getuut, een bus die voorbij raasde, en ik die terugsprong op dat voetpad. Allemaal tegelijk.” Hij zucht opnieuw.

“Ik was bijna dood”, herhaal ik.

Of ik had dood moéten zijn. Het heeft geen seconde gescheeld of ik was dood, pleegt men wel eens te zeggen, en in mijn geval kon dat niet dichter bij de waarheid zijn. De bus, het getuut, de wind, de sprong, ik weet niet eens meer in welke volgorde het zich allemaal heeft afgespeeld. Was ik geen boek aan het lezen? Werd ik niet net opgebeld?

“Die bus ging door mijn lichaam heen”, probeer ik. “Ik heb hem gevoeld. Zoals een wind, maar dan niet langs maar wel dóór mij heen. Tastbaar.” Hij zucht zelfs niet meer.

“Ik wás bijna dood”, zeg ik nadrukkelijk.

Mensen lopen hysterisch door elkaar, de chauffeur twijfelt, geheel in schok, of hij de ruitenwissers zou gebruiken om bloed en hersenen van zijn voorruit weg te vegen. Onder de bus –het is zo’n lang harmonica-onding vanzelfsprekend– ligt mijn lichaam, helemaal vermangeld. De meest dichtsbijzijnde omstaanders draaien zich kotsend om, enkelen hebben zelfs bloed op hun jas. Het begint te regenen, eerst zachtjes, dan een steeds heviger neerslag en in de verte zwelt de donder aan en dan verschijnt een bliksemschicht.

“Maar ge zijt niet dood”, klinkt het plots, nuchter én slaapdronken naast mij, terwijl zijn hand mij zoekt. “Ge zijt een god en gij kunt niet sterven.”

ik ben een god

…en daar zal u de vruchten van dragen.

Recent werd mijn status verhoogd –ook goden kennen een hiërarchie– en daarmee ook exponentieel mijn macht. Vijf vrouwen werden mij aldus toegekend, waarvan er evenwel slechts twee mijn interesse konden opwekken.

“Gij zijt een god,” zei de eerste lang geleden reeds tegen mij, “en uit u ontspruit mijn godenkind.” En hoewel ik mij daar toen geen barstende hoofpijn bij kon voorstellen, heeft het niet lang geduurd alvorens mijn hoofd in halven werd gespleten en daaruit met luid geschal een kind ontsnapte. “Gij zijt een god,” verkondigde het, “en ik, uw vrucht, haar godenkind. En daarom zal ik uw einde betekenen.”

“Gij zijt mijn god”, zo sprak de tweede, en ze knielde deemoedig om mij te ontvangen. Maar toen ik mij in haar wou storten, richtte zij mij weg, en ontving niet zij mijn zaad, maar de vruchtbare aarde, alwaar terstond gewas verscheen. “Hier komt een plek”, zo sprak zij toen, “die vele mensen zullen betreden. Maar ook wanneer deze vrucht lang zal zijn verdord, zo nog zal ik mij op uw weg bevinden.” En ze knielde deemoedig en nam alsnog mijn zaad tot zich. En toen droeg ook zij mijn vrucht, die zij in negen weken zou voldragen.

ik ben een god

…en in uw beperkingen leert ge uzelf pas goed kennen.

Vier dagen geleden was ik om klokslag drie uur wakker geworden. Ik had me gewassen, gekleed, had ontbeten, de poort geopend en de motor buiten gerold. Met hoge snelheid verdween ik met den einder, en nog voor de zon mij kon warmen had ik mijzelf en de motor rond een boom midden op de E40 gekromd. Hulp kon niet baten, en zelfs de inderhaast toegesnelde ambulanciers beweerden nooit ofte nimmer een dergelijk geval te hebben meegemaakt. Wie plant er nu ook een boom temidden van de E40, en meer nog, wie kromt zichzelf en zijn motor rond zo’n robuuste stam? En waarom is dat nooit eerder gebeurd?

De natie was drie dagen in rouw –en hier hebt u meteen de reden waarom ik hier niet eerder over kon berichten– gedurende welke tijd elke jonge vrouw mij kwam begroeten, mij kuste, en mij eeuwige trouw beloofde, om vervolgens in hun sponde opnieuw hun man terwille te zijn met niets dan mij in hun gedachten. Het is niet makkelijk een god te zijn.

Gisteren stond ik op en wandelde. En nauwelijks had ik vijf stappen gewaagd of ik werd aangesproken door een man. En nog een. En nog een. En voor ik het wist was daar elke man van elke jonge vrouw en allen wilden ze mij bedanken voor het leven dat ze hadden sinds ik mijzelf en mijn motor rond die stoere boom midden op de E40 had gekromd. Dat ze blij waren dat ik dood was en dat ze wilden dat ze mij bij leven hadden leren kennen. En dat ze allemaal hun eerstgeborene naar mij zouden noemen. En toen waren ze plots allemaal weg en sliep ik weer.

En in die slaap had ik een droom, en ware het niet dat ik nu met de motor huiswaarts moest, ik had hem u verteld. Want hij was bizar, die droom.