Babyblauw

“Meneer, meneer”, zwaaide een juffrouw naar mij uit een voorbijslenterende wagen net toen ik een andere juffrouw vriendelijk op de schouder wou tikken. Ik stak mijn linkerhand op om de wagenjuffrouw te duiden dat ik haar zo meteen mijn volle aandacht zou schenken, terwijl mijn rechterhand even de schouder van de andere juffrouw aantikte.

“Uw rok”, vormde mijn mond zonder geluid uit te brengen. De juffrouw was in gesprek met haar gsm, en om mijn lipbewegingen draagkracht bij te brengen, maakte ik met beide handen een trekbeweging langs mijn zij.

De juffrouw kleurde rood, trok haar frivole bolletjesrok van onder haar rugzak over haar babyblauwe achterwerk, en glimlachte dankbaar maar verlegen mijn richting uit.

Toen ik mij omdraaide naar de wagen, wierp de juffrouw mij een kushandje toe. “Ziezo: opgelost”, hoorde ik haar nog zeggen, haar duim uit het raam opgestoken, terwijl haar echtgenoot terug in de file aansloot.

Kort

“Oeps. Dat is een beetje kort”, slaag ik er nog in te glimlachen naar de bevallige fietsterroriste die ons net niet omvergereden heeft op het voetpad.

“Oh, vindt ge”, vraagt ze koket, haar rokje een paar centimeter optillend zodat ik een hint van rood kant door het nylon te zien krijg.

“Euh, ik bedoel de remafstand, juffrouw. Omdat ge ons bijna omver gereden hebt?”, leg ik uit.

“Ah. Oh. Oei. Sorrysorry”, stamelt ze, terwijl ze blozend alweer aanzet.

(“Wat was dat allemaal, papa”, vraagt Henri als we verder naar school stappen.)

(“Niets jongen, gewoon een misverstand. Gewoon een misverstand.”)

Op de tram

Dju, ik rijd graag met de tram. Behalve dat de ondingen nooit op tijd komen, en ze (daardoor) vaak overvol zitten, valt er bijna altijd een verhaal te rapen. Ik had twee keer prijs deze keer, zowel heen als terug. Bijna woordelijk weergegeven.

Heen: didn’t see that one coming

*smak* *smak*

“Hoe gaat het ermee?”, vraagt een niet meteen lelijke juffrouw aan de jongeling die net iets te gretig haar wangen beroerde.

“Niet zo goed eigenlijk. Ze heeft mij gedumpt. Ze was tien dagen naar Tenerife op vakantie, en eerst was alles goed, maar gisteren heeft ze mij gedumpt.”

“Misschien moet ge haar wat tijd geven?”

“Ik begrijp het niet. Toen ze daar zat stuurde ze mij alle vijf voeten sms’kes ‘ik mis u’ en ‘gij zijt de enige voor mij’, en ze is met moeite terug en ’t is gedaan. Ze was met haar zuster op vakantie, en ’t was net af tussen die zuster en haar lief…”

“Ai. Ja.”

“En ze is anderhalve week zwanger.”

Terug: ter vergelijking

“Maar allez, mijn zuster is gelijk veel schoner dan ik,” zegt het ene meiske. “Maar ja gij: ze heeft veel schonere borsten.”

“Ik heb ook veel schonere borsten dan mijn zuster,” beweert het andere meiske.

“Vergelijken jullie dat dan of zo?’, vraagt de jongen die er met steeds verder openvallende mond op staat te luisteren.

(Er druipt wat kwijl uit uw mondhoeken, wou ik hem nog teken doen.)

Ik ben een god

…en dus heb ik het eeuwige leven.

“Ik was bijna dood”, zeg ik hem als we in bed liggen na te zinderen. Hij kijkt niet op, maar zucht.

Het was een bus. Ik weet niet waar ik zat met mijn gedachten of met mijn gehoor –ik heb een fantastisch gehoor, moet u weten. Ik hoor het gepiep van een televisie met het geluid uit. Ik hoor het dichtslaan van een autodeur aan de overkant van de straat als ik in de tuin achter het huis zit. Ik kan blind een straat oversteken omdat ik het verkeer hoor aankomen. Behalve daarnet.

“Het was een bus”, leg ik hem uit. “Ik stond op het voetpad, stak over, en plots was daar een luid getuut, een bus die voorbij raasde, en ik die terugsprong op dat voetpad. Allemaal tegelijk.” Hij zucht opnieuw.

“Ik was bijna dood”, herhaal ik.

Of ik had dood moéten zijn. Het heeft geen seconde gescheeld of ik was dood, pleegt men wel eens te zeggen, en in mijn geval kon dat niet dichter bij de waarheid zijn. De bus, het getuut, de wind, de sprong, ik weet niet eens meer in welke volgorde het zich allemaal heeft afgespeeld. Was ik geen boek aan het lezen? Werd ik niet net opgebeld?

“Die bus ging door mijn lichaam heen”, probeer ik. “Ik heb hem gevoeld. Zoals een wind, maar dan niet langs maar wel dóór mij heen. Tastbaar.” Hij zucht zelfs niet meer.

“Ik wás bijna dood”, zeg ik nadrukkelijk.

Mensen lopen hysterisch door elkaar, de chauffeur twijfelt, geheel in schok, of hij de ruitenwissers zou gebruiken om bloed en hersenen van zijn voorruit weg te vegen. Onder de bus –het is zo’n lang harmonica-onding vanzelfsprekend– ligt mijn lichaam, helemaal vermangeld. De meest dichtsbijzijnde omstaanders draaien zich kotsend om, enkelen hebben zelfs bloed op hun jas. Het begint te regenen, eerst zachtjes, dan een steeds heviger neerslag en in de verte zwelt de donder aan en dan verschijnt een bliksemschicht.

“Maar ge zijt niet dood”, klinkt het plots, nuchter én slaapdronken naast mij, terwijl zijn hand mij zoekt. “Ge zijt een god en gij kunt niet sterven.”

Et tu…

Zoals Huug (en later ook, in het humaniora, Michel), heb ik mijn broek destijds in Sint-Barbara versleten. Zowel het college als de basisschool vormden het decor voor mijn jeugd–na eerst de drie kleuterklasjes en het eerste jeerjaar op de Nouveau Bois te hebben doorgebracht. Ik heb slechts vage herinneringen aan die basisschooljaren.

Van de Nieuwen Bosch herinner ik mij dat ik een gastje uit mijn (kleuter)klas met mijn boekentas rond zijn oren heb geslagen –zo wordt het nog immer verteld– omdat hij mij erop wees dat “hey, Bruno, kijk: uw moeder is daar”. Waarop ik blijkbaar gevat antwoordde: “ja, ik zie dat zelf ook wel”, gevolgd door die draai rond zijn oren. Ik herinner mij ook dat we daar naailessen hadden –Nieuwen Bosch was in eerste instantie een meisjesschool; jongens werden slechts tot in het tweede studiejaar toegelaten– en dat ik dat best leuk vond. En dat ik –voor die ene keer dat ik daar eens moest blijven middagmalen– ik de soep daar zo lekker vond, dat ik tot grote consternatie van de meiskes aan mijn tafel, mijn bord geheel heb schoon gelikt, zoals de katten dat doen. Maar ook dat de juffrouw van het tweede leerjaar mij uit het eerste leerjaar –aan de overkant van de gang– kwam halen, om bij haar –een jaar hoger dus– de rekensommen te komen oplossen waar haar leerlingen kop nog staart aan kregen. Ik eindigde dat jaar met 99% op mijn rapport.

“Hij heeft meer discipline nodig,” moet mijn moeder gedacht hebben, “en een grotere intellectuele uitdaging.” Dus stuurden ze mij naar Sint-Barbara.

In Sint-Barbara kwam ik ook terecht bij meneer De Vleesschouwer. Bij het eerste rapport waren mijn punten met 4% gezakt. Al stonden daar geen punten op, en prijkten er nog allemaal E’s (van Excellent) op mijn rapport. Niettemin was dat een ramp volgens mijn moeder, die nauwkeurig mijn DP’s (dagelijkse prestatie of toetsen) bijhield en heel bezorgd om een audiëntie met de meester verzocht. Dat ik nog altijd den eersten was van de klas, maakte niets uit, mijn rapport vermeldde tevens dat ik een speelvogel was, en meer aandacht moest geven tijdens de les.

Er heerste discipline, maar ik heb –gelukkig– niets meegemaakt dat mij voor de rest van mijn leven heeft getekend. Al denk ik soms nog terug aan Hendrik V., die zulk een schrik had opgedaan dat hij tijdens de les liever in zijn broek deed, dan zijn vinger op te steken om de meester te vragen of hij naar het toilet mocht. Hendrik zat op de bank vóór mij, en ik kan mij nog probleemloos voor de geest halen hoe langzaam een plas urine onder zijn stoel werd gevormd.

In het derde zat ik bij meneer De Maesschalk, en ook daar was ik genoegzaam PIP (geen nood, in het middelbaar zou dat allemaal veranderen). Enkel als de anderen het echt niet konden oplossen, werd ik aan het bord geroepen. Ik had al lang geleerd mijn voortdurend genegeerde vinger niet langer op te steken wanneer er om een antwoord werd verzocht. Op één zo’n zeldzaam moment dat ik toch aan bord werd geroepen, twijfelde ik een halve seconde om van mijn bank op te staan. Tijd genoeg voor een kort “hebt ge mij niet gehoord, misschien, Bollaert?” Let wel, het was geen plotse opstoot van rebellie die mij deed twijfelen.

“Kijk mevrouw,” heeft meneer De Maesschalk achteraf aan mijn moeder toevertrouwd, “het heeft alle zelfbeheersing gevergd die ik had, om niet in lachen uit te barsten toen Bruno toch naar voor kwam.” Bruno, die zich stierlijk verveelde tijdens de lessen, had er immers niets beters op gevonden dan de inhoud van zijn pennenzak geheel in zijn kousen weg te steken. Met uitgestreken gezicht heb ik de oplossing aangevuld, en ben ik –ijzig kalm en onder de verpletterende stilte van de even gedisciplineerde klasgenootjes– terug naar mijn plaats gewandeld. “Correct zoals gewoonlijk, meneer Bollaert”, verzuchtte de meester.

Suzannah

Suzannah hoort stemmen.

Ze had geglimlacht toen ik aan het tafeltje naast haar plaatsnam. Het was het enige vrije tafeltje in het café, en ik had dan ook niet zomaar aangenomen dat die glimlach voor mij bedoeld was. Ik ben nog al verlegen, weet u wel. Dirk had mij zonder veel plichtplegingen mijn wekelijkse cappuccino voorgeschoteld, en ik was al gauw opnieuw in mijn zoveelste boek verdiept.

“…en van dat moment af hóórde ik de mensen.”

Ze had het gehad over geestesverruiming, en hoe we ons moeten openstellen voor alles en ons laten overspoelen door indrukken, zoals kinderen dat ook doen. Op een bepaald moment was ze daarin geslaagd, beweerde ze, en sindsdien hoort ze stemmen.

“Niet dat ik geesten zie of met de doden kan praten”, glimlachte ze opnieuw. “Het is meer zoals gedachten lezen.” Ze nam mijn hand vast die ik had opgeheven om haar te onderbreken, en liet die, betrapt door haar eigen impulsen, net zo gauw weer los. Haar hand was zacht en warm geweest en liet daardoor een gemis achter. “Ik weet dus ook waar gij nu aan denkt.”

God, ik hoop het niet, dacht ik, terwijl ik mij wanhopig van de beelden poogde te ontdoen die zich spontaan voor mijn geestesoog hadden opgeworpen. Denk aan kookboeken. Of Nigella Lawson! (Nee, niet Nigella!) Of koffie! riep ik mijzelf toe. Denk! Aan! Iets! Anders!

Maar het was te laat, zag ik aan haar gezicht, dat ze met weinig succes in de plooi trachtte te houden. Mannen zijn ook zo doorzichtig.

elders in de wereld

Het was ergens niet zo lang na die 11e september dat ik voor het werk naar de Verenigde Staten trok. De staalindustrie was –na het ongeplande smelten van het stalen skelet van de twin towers— druk doende de andere industrieën ervan te overtuigen dat staal toch de beste keuze was als grondstof voor auto’s, huizen en blikvoer. Meerdere lobbygroepen werden opgericht, meerdere publicaties verzorgd, en enkele websites uit de grond gestampt. De Amerikaanse markt was een belangrijke, en dus werd minstens één van die sites aldaar bepland. Of ik eens wou gaan kijken: drie dagen ter plekke, all expenses covered, business class vluchten… the works.

De man die de site coördineerde deed zulks van thuis uit, al werd een dedicated server uitbesteed aan een lokaal webbedrijfje met veel te veel personeel en dito overhead. Die managed dedicated server was nodig, zo vond men, want er mocht niks mislopen voor de toch wel 100 bezoekers per maand, grotendeels secretaressen van personal assistants van vice-managers van de grote bazen die zelf niet in de verste verte met dat internet in aanraking wilden komen. Zogezegd omdat het onveilig was, maar eigenlijk omdat ze te oud waren en geen zin hadden om zich met die nieuwe technologieën bezig te houden. De staalindustrie is oerdegelijk en conservatief. Een laatste bastion, zoals er wel meer zijn.

Zo ook Joe –voluit Joseph, maar enkel voor zijn moeder heette hij nog zo– die zelfs naar Amerikaanse standaard uiterst conservatief was. Pro-Amerika en dus pro-oorlog en pro-Bush en tegen Frankrijk (hij at enkel freedom fries, maar wel in grote dagelijkse porties) en dus (?) tegen Europa –wat ten andere de reden was waarom ik daarheen ging, en hij niet hierheen komen wou. En waarom die dedicated server in Ann Arbor, Michigan stond, en niet in London. Joe had lang in de staalindustrie gewerkt (Detroit was vlakbij), maar had –ondanks zijn leeftijd– zich toch met dat internet verzoend, omdat hij ervan overtuigd was op die manier zijn reeds riante pensioen gemakkelijk te kunnen aanvullen. “I’ll write up the report for you,” was zijn begroeting toen hij me de ochtend na mijn aankomst in één van de meer luxueuze hotels van de buurt kwam ophalen, “so I can just show you around a bit and we can have fun.” Ik moest er vooral niet aan denken zijn lucratieve zaakje onderuit te halen, mocht ik daaronder verstaan, en in ruil zou hij mij, die Europeaan (ik zag hem dat woord denkbeeldig uitspuwen), gerust een paar dagen tolereren.

In België deponeerde ik zijn rapport samen met het mijne in de in tray van mijn baas, die me anderhalve dag later bij hem ontbood. Hij kende Joe goed, beweerde hij, en terwijl hij bewondering had voor mijn eerlijkheid, was zulks eigenlijk een beetje uncalled for. Mijn baas kwam uit Sheffield, Engeland, waar hij had gewerkt voor British Steel, maar was tijdens de fusie tot Corus eerst kort in Nederland en nadien in België terecht gekomen. Zijn favoriete uitspraak was “a blind man on a galloping horse couldn’t see the difference” en “you’ve got the ball now run with it“, al betekende dat laatste dat hij het wekelijkse rapport op tijd verwachtte, en vooral niet dat we initiatief zouden nemen. “That attitude will get you nowhere“, waarschuwde hij meermaals, en onder die noemer viel blijkbaar ook mijn rapportering over mijn trip naar de Verenigde Staten. Het was meteen ook de laatste keer dat ik alleen die richting uit mocht, want voor alle verdere uitstapjes werd ik steevast vergezeld van een senior manager die veel beter dan ikzelf wist hoe met het zakenleven om te gaan.

Joe had mij toevertrouwd dat hij zonder enige aarzeling opnieuw voor Bush zou stemmen. “We need to be firm with the world“, had hij gesproken, “and the republicans deliver!” Hij stond erop mij persoonlijk naar de luchthaven te brengen, waar hij mij een manilla enveloppe in de hand duwde met daarin zijn rapport. Afgedrukt op letter papier natuurlijk. “Remember this“, zei hij terwijl hij mij een potige hand gaf en strak in de ogen keek bij het afscheid.