Muziek x3

Een mens zou bijna denken dat ik geen concerten meer bijwoon, gezien ik er zo weinig over bericht. Ik heb er ook een pak minder bijgewoond, de voorbije maanden, wegens ziekte en andere dingen waar ik u niet mee ga vervelen. Het meeste van wat ik gezien heb, was dan weer absoluut de moeite waard.

Muziek door Bruno Bollaert

Toen ik, lang geleden ondertussen op de voorstelling van het nieuwe Bijlokeseizoen (2012-2013) zat, waren er een paar zaken die onmiddellijk mijn interesse hadden gewekt. Eén daarvan was de integrale uitvoering van de pianosonates van Frank Nuyts (die mens woont hier dan nog eens in de buurt ook). De Bijloke presenteert elk seizoen twee momenten waarop drie sonates van Nuyts door telkens een andere pianist worden gebracht. De drie sonates worden elke keer vergezeld door vierde stuk naar keuze van één van de uitvoerende pianisten, die daarmee het werk van Nuyts wil confronteren. Twee van de pianosonates zijn bestaand werk, de derde is een creatie (Nuyts moest bij aanvatting van project nog een aantal van de 18 sonates componeren).

Na zijn examens had Henri twee dagen waartijdens hij moest wachten op zijn rapport, en het leek mij de geschikte gelegenheid om hem nog eens met wat hedendaagse muziek in aanraking te brengen. Ik geef toe dat ik tegenwoordig enige toenadering zoek tot pianowerk, dus het kwam mij goed uit. We hadden perfecte plaatsen: helemaal vooraan, schuin achter de piano/pianist, waardoor we zicht hadden op zowel de partituur als de handen van de pianist.

Benjamin Van Esser speelde Sonate Nr. 3; Keiko Shichijo speelde Sonate Nr. 13; Daan Vandewalle speelde Sonate Nr. 2 en de Choral Sonata van Michael Blake. Er was een gigantisch verschil tussen de speeltstijlen van de drie pianisten. Shichijo speelde zeer afgemeten en technisch, Van Esser speelde het meest dynamisch, en Vandewalle het meest expressief (al ben ik het bij die laatste niet geheel eens met mijn eigen beschrijving). We hadden beiden ook een verschillende favoriet: Henri was helemaal weg van het stuk van Michael Blake, inclusief tone clusters waarbij Vandewalle met beide voorarmen op de toetsen ging leunen. Zelf was ik nogal te vinden voor de intertekstualiteit en de variatie in Sonate Nr. 3 in de prachtige uitvoering door Van Esser.

In mei is het volgende concert van de reeks, en Henri heeft al gezegd dat hij best mee wil.

Muziek door Bruno Bollaert Muziek door Bruno Bollaert Muziek door Bruno Bollaert

Zondag zat ik bij Opatuur in De Centrale –de eerste keer dat ik er dit seizoen geraakt ben, en het was meteen een schot in de roos. Tuur had tijdens Jazz in ’t Park Marc De Maeseneer (de bariton saxofonist die o.a. bij BackBack speelt) bereid gevonden met een aantal kompanen naar de geïmproviseerde club in de cafetaria van De Centrale af te zakken. Geen drummers en geen zangeressen, zijn voor Tuur steevast de enige voorwaarden. En dus bleven Lien De Greef (Lady Linn) en Eva De Roovere braafjes tussen de rest van het publiek zitten. Dju toch, Tuur.

Het geïmproviseerde Marc De Maeseneer Trio speelde eigen werk, dat ze speciaal voor deze gelegenheid bij elkaar hadden gecomponeerd, en nog slechts zelden hadden kunnen oefenen (niet dat daar veel van te merken was). De composities waren heel lyrisch en harmonisch, en lieten, mede door de voortstuwende baritonsax, soms wel eens aan de Purcell bewerkingen van Michael Nyman denken.

Muziek door Bruno Bollaert

Gisteren dan, zat ik in De Munt –dat was eeuwen geleden– voor La Traviata. Het libretto is gebaseerd op het werk La dame aux Camélias van Alexandre Dumas (de zoon, niet de vader, die u nochtans zeker kent van De Drie Musketiers en andere avonturenromans). Het hoofdpersonage van dat boek is dan weer geïnspireerd op Marie Duplessis, de minnares van o.a. Dumas, die op 23-jarige leeftijd stierf aan tuberculosis. Het verhaal, hoewel bijzonder tragisch, is weinig geloofwaardig in onze tijd; het eerste deel van de opera is het mooiste –zeker wat het verhaal betreft. De echte tragiek begint pas in het tweede bedrijf, en eindigt met de dood van Violetta –tevens het slot van de opera.

Het orkest speelde bijzonder goed, gisteren. De timing zat goed, de klankkleur zat goed, de dynamiek klonk tragisch en zeker niet zoet-romantisch, hoewel dat een val was waar makkelijk in te trappen viel. Simona Šaturová, die Violetta zong, was zelf wat ziek, zo had men aangekondigd voor de opera begon, maar haar stem had daar niet echt onder te lijden. Ze zag er totaal uitgeput uit, op het einde, maar het is stemtechnisch en emotioneel dan ook een erg belastende (hoofd)rol.

We zaten helemaal achteraan op het parterre, onder het eerste balkon, waardoor de ondertitels (die in de opera eigenlijk boventitels zijn) niet leesbaar waren –als u geen rug- en/of halsletsel wil oplopen van een paar uur voorovergebogen te zitten tenminste. Voor de rest waren het uitstekende plaatsen, maar ik was toch blij dat ik mij eerder die dag ruimschoots in het verhaal had verdiept.

De enscenering was zeer geslaagd. Verdi had zelf steeds gevraagd om een hedendaagse invulling, iets wat hem bij de eerste opvoeringen van de opera werd ontzegd omdat de inhoud anders te confronterend zou zijn geweest. De manier waarop het in de munt werd gebracht, houdt een beetje het midden tussen Eyes Wide Shut en de decadentie van de jaren 80. Wie het zelf wil zien, kan terecht op de site van Arte, waar u de voorstelling van 15 december volledig kan bekijken.

La Damnation de Faust

La Damnation de Faust door Bruno Bollaert La Damnation de Faust door Bruno Bollaert

En toen zat ik in de opera, vorige week, met een kop vol verkoudheid (maar gelukkig zonder de hoestbuien), en met als enige wetenschap dat Terry Gilliam de regie had gedaan en dat het geïnspireerd was op Faust 1 van Goethe (dat ik in geen 10-20 jaar meer heb ter hand genomen). En dat Berlioz er geen opera van had gemaakt maar een légende dramatique. In De Morgen (denk ik) had ik vluchtig zien staan dat het té veel musical en te weinig opera, maar misschien had de recensent niet genoeg research verricht naar het concept van Berlioz. In The Guardian had ik een korte recensie gelezen waarin stond dat, Gilliam refracted the story through 100 years of German history and culture, from the 19th century to the Third Reich, from the romantic imagery of Caspar David Friedrich, through the grotesqueries of Otto Dix and George Grosz to Leni Reifenstahl’s film of the 1936 Olympics. Ik had –verkeerdelijk– verwacht meer Duitse geschiedenis te zien, maar me dunkt dat de nadruk toch zwaar op het nazisme ligt.

[youtube https://www.youtube.com/watch?v=ChMuGft8aWw&w=500&h=281]

Vercontemporainisering van opera’s of toneelstukken ligt mij zo niet, al sinds ik Peter Sellars in de jaren 80 bezig heb gezien. Ik ben er toch in geslaagd daar voldoende abstractie van te kunnen nemen, want deze opera, en de directionele bewerking ervan, is een pareltje. Het contrast tussen de persoonlijke dilemma’s en weltschmerz van Faust, loopt tegen de veel grotere draagwijdte van de historische evenementen die zich op de achtergrond afspelen en waaraan Faust vaak nietsvermoedend deelneemt. Er zat een hoog Wir haben es nicht gewußt-gehalte in de figuur van Faust, niet omdat hij de zaken goedkeurde, maar omdat hij gewoon niet zag tegenover de hem veel belangrijker overkomende persoonlijke tragediën die zich in zijn wereldje afspeelden.

Wat Gilliam visueel met het stuk heeft aangevangen, is bijzonder boeiend. Nooit krijgt de kijker het gevoel alsof er waardeloze gimmicks of arty-farty toestanden zonder functie aan de uitwerking werden toegevoegd (op voorwaarde dat die meestapt in het nazi-gegeven). De kostuums, de omringing en de uitwerking van Méphistophélès, de videobeelden: het plaatje van deze opera (légende dramatique) klopt geheel.

La Damnation de Faust, gezien in de Vlaamse Opera Gent op 19/09/2012

Nog goed dat er muziek was

Carmen door Bruno Bollaert

Carmen trok op niks. Enfin, Viktoria Vizin, de mezzosopraan die de hoofdrol vertolkt en die we in various states of undress mochten bewonderen, mag er best zijn, maar de opera zelf, in een regie van Daniel Kramer, was niet echt om over naar huis te schrijven. Het speelt zich af in Sevilla, had Kramer ontdekt, en op amper een mijl van de schapenboerderij waar de regisseur in Ohio opgroeide, bevond zich het stadje Seville. Reden genoeg voor hem om het geheel te vertalen naar een verhaal uit de Amerikaanse working class, want de gipsies uit het oorspronkelijke verhaal zijn tegenwoordig niet sexy meer, maar ‘raciale, sociale, emotionele en relationele outcasts’.

De soldaten uit het verhaal van Prosper Mérimée zijn aldus verworden tot Amerikaanse troopers in korte broek en met zo’n boyscouthoedje op, waar Robert Baden-Powell hemzelve jaloers op zou zijn geweest. Het deel van de working class dat de zigneurs moet verbeelden, is getooid in fluo kledij uit de jaren 90 (of was dat 80), en de toreador is veranderd in een hondenvechter. Een jammerlijke zaak, maar niet noodzakelijk onoverkomelijkheden dusver –al ben ik nooit een fan geweest van de vercontemporainisering à la Peter Sellars. de man die in de jaren 80 de opera’s van Mozart naar een hedendaagse setting bracht.

Waar Kramer dan wel degelijk de mist in gaat, is in de manier waarop hij het personage van Carmen neerzet. Carmen is, zowel bij Bizet als in het oorspronkelijke verhaal van Mérimée, een vrijgevochten vrouw die zich door niemand de wet laat voorschrijven –en al zeker niet door een man. De Carmen van Kramer is nooit krachtig, maar veeleer gedwee, een slachtoffer zelfs van de omstandigheden die haar overkomen. En dat druist radicaal in tegen het thema van het verhaal. Natuurlijk, Carmen schikt zich in haar lot, maar ze zal zich niet zonder slag of stoot overgeven. Het ultieme bewijs vinden we in het feit dat ze liever sterft dan zich te schikken in een lot dat iemand anders voor haar zou bepalen.

Bijzonder jammer ook, is de platvloerse manier waarop alles wordt uitgebeeld. De zigeuners waren voor Kramer niet sexy genoeg, maar blijkbaar was er ook geen plaats voor de toch wel iets subtielere erotiek waarmee Carmen de mannen overweldigt.

Nog goed dat er muziek was, en dat ik een fantastische (zelfs comfortabele) plaats had weten te bemachtigen. En ik kan u aanraden het boek eens te lezen. Amper 70 bladzijden, inclusief (uitgebreide) voetnoten en een tiental illustraties. En als ook dat te lang is, dan is er nog het stripverhaal, dat heel trouw het originele verhaal volgt.

Terry Gilliam: it’s a good journey

Het nieuwe operaseizoen is bekend, en dat ging ook aan onze krant niet onopgemerkt voorbij. Wel twee kolommen, toch wel een heuse halve pagina hoog en één derde pagina breed (de rest werd ingenomen door reclame), kreeg de eerbiedwaardige reporter ter beschikking om daarover te berichten (Het geloof van Aviel Cahn, De Morgen, 21-22/04/2012). Niet meteen plaats voor uitdieping, en dat verklaart waarschijnlijk ook de weinig bijdehandse blurb over seizoensopener.

De insteker is het geloofthema dat Aviel Cahn heeft gekozen als leidraad voor het nieuwe seizoen. Aviel Cahn is de directeur van de Vlaamse Opera, een bijzonder enthousiaste man. Ik had het genoegen hem even te ontmoeten vorige dinsdag, op de receptie na de vertoning van Rumor –niet dat ik verwacht dat hij zich daar ook maar iets van zal herinneren, maar hij heeft een erg positieve en (als ik even een germanisme mag gebruiken:) begeesterende indruk nagelaten.

Waarin gelooft Terry Gilliam? Niet meer in Monty Python, mogen we vermoeden. Hij mag het operaseizoen openen met La Damnation de Faust van Hector Berlioz. Gilliam regisseert het stuk naar eigen zeggen als “een helse rit doorheen de Duitse geschiedenis”. We mogen hopen dat hij er ook wat van de twijfel van Faust in legt, die alles gestudeerd had en toch niets wist. Want is niet die twijfel het noodzakelijke complement van het geloof?

Het is een beetje jammer dat er enkel plaats was om Terry Gilliam met Monty Python te associëren. De laatste Pythonfilm dateert van 1983, en toen had Gilliam al zijn tweede (nog niet echt) postPython film geregisserd (Time Bandits, 1981). Gilliam is sindsdien vooral bekend van zijn bevreemdende films zoals Brazil (1985), 12 Monkeys (1995), Fear and Loathing in Las Vegas (1998) en The Imaginarium of Doctor Parnassus (2009). De stap van filmregisseur naar operaregisseur is dan misschien ook wat minder verwonderlijk dan de korte tekst zou kunnen suggereren. (Zoals Gilliam zelf zegt: “From cartoons to animation to films to opera. It’s a good journey.“)

De opdracht voor Gilliam gebeurde in coproductie met de English National Opera, en de première vond vorig jaar in Londen plaats. De pers was behoorlijk positief (Rupert Christiansen in The Telegraph, Andrew Clements in The Guardian, Jessica Duchen in The Independent zijn telkens goed voor vier tot vijf sterren). Volgens Rupert Christiansen haalt Gilliam zijn mosterd bij Thomas Manns Doctor Faustus (ik moet dat tegen september maar eens herlezen, want dat is van mijn schooltijd geleden), en de regisseur leidt ons van de Duitse romantiek tot Auschwitz. Het klinkt allemaal très ‘Gilliams’, die geen gemakkelijke taak had met een opera die eigenlijk niet eens een ‘echte’ opera is, maar een légende dramatique (zoals Berlioz het zelf omschreef), eerder opgevoerd als oratorium of een concertante opera dan een theatrale. Ik kom er later nog wel op terug, maar het is alvast uitkijken dus, om zelf te ontdekken hoe Gilliam die Faustiaanse twijfel heeft verwerkt in de teneergang van het Duitse hoogtepunt der romantiek naar het dystopische recente verleden.

Rumor: vleeselijke geneugten

“Als je vrij bent en zin hebt, kan je dinsdag met mij naar ‘Rumor’, een hedendaagse opera van Christian Jost, naar een roman van Guillermo Arriaga. We zijn donderdag naar de première geweest en E. staat nu zijn plaats graag af.”

Huh. Ziet dat van hier dat ik dat ga afslaan. Temeer gezien (1) ik zondag al vanalles heb gemist (Phronesis in O. & Thys-Delooze bij O.) en (2) al geruime tijd met arendsogen de erbarmelijk slechte site van de Vlaamse Opera in de gaten aan het houden ben omdat ik overweeg een abonnement te nemen voor volgend seizoen. De verkoop start ten andere vanaf morgen, en ik zie heerlijkheden zoals Händels Agrippina, en Wagners Parsifal; zottigheid met Mozarts Die Zauberflöte; en spektakel met Verdi’s Nabucco. Het nieuwe seizoen opent met Berlioz’ La Damnation de Faust in een regie van Terry Gilliam en sluit af met Bernsteins Candide.

Edoch gisteren ging ik naar Rumor, een opera van Christian Jost, waarvan het libretto gebaseerd is op het boek Un Dulce Olor a Muerte (De zoete geur van de dood) van Guillermo Arriaga. Het boek werd in 1999 verfilmd door Gabriel Retes. Arriaga heeft ook het script geleverd voor o.a. Amores Perros, 21 Grams, The Three Burials of Melquiades Estrada en Babel.

Rumor, produktiefoto Vlaamse Opera door Annemie Augustijns

De plot zit schijnbaar eenvoudig in elkaar: bij de rivier wordt een meisje, Adela, vermoord teruggevonden, en de opera is een soortement whodunit die, gevoed en opgejaagd door de gemeenschap, naar de dader moet leiden. Ramon wordt door de gemeenschap aangeduid als de geliefde van het vermoorde meisje –hoewel hij daar zel niet zeker van is– en hem wacht dan ook de taak om de dader te vinden en te doden. Die dader wordt gevonden in een rondreizende vreemdeling, de minnaar van een getrouwde vrouw in het dorp, en dat riekt eigenlijk een beetje naar een afrekening binnen de gemeenschap. Allemaal bijzonder boeiend, en mogelijks valt dat te plaatsen binnen de mozaïekvertellende stijl van Arriaga.

Rumor, produktiefoto Vlaamse Opera door Annemie Augustijns

Die mozaïek wordt letterlijk doorgetrokken in de enscenering, die uit verschillende compartimenten bestaat, waarin de actie zich voordoet. De weerspiegeling van de verhaalstructuur in de scène is een schitterende vondst, en draagt sterk bij tot de interpretatie en het begrijpen van het verhaal. Rumor is trouwens Duits (rumoer), en geen Engels (roddel), al is men bij de opera precies niet bepaald ongelukkig met die taalambiguïteit.

Muzikaal is het een beetje zoeken. De abstracte en dissonante muziek heeft soms wel wat weg van een soundtrack, en bepaalde thema’s geven richting aan de personages, maar soms heeft de luisteraar het gevoel dat de muziek ondergeschikt is aan het theater. Een heel mooi theater trouwens, met minimalistische maar heel doeltreffende en stijlvolle effecten.

Rumor, produktiefoto Vlaamse Opera door Annemie Augustijns

En het zat allemaal mooi in elkaar, al eindigt het verhaal wel erg abrupt. De vermeende dader wordt gedood door Ramon, die prompt het dorp wordt uitgejaagd. Was dit de echte dader? Was Adela echt de geliefde van Ramon? Wordt Ramon nu net zo’n vreemdeling als de man die hij net heeft gedood? Als het de bedoeling was om de luisteraar met vertwijfeling op te zadelen, dan is Christian Jost daar alvast in geslaagd.

Rumor van Christian Jost, gezien in de Vlaamse Opera Gent op 17/04/2012. Alle foto’s komen van de site van de Vlaamse Opera, fotograaf: Annemie Augustijns.

(De tweede keer op zeven dagen tijd dat ik mijn celloleraar, Thomas, aan het werk heb gezien. Vorige week in De Bijloke voor Wagner en de verlossing, en gisteren in Rumor. Thomas speelt –jawel– cello in het orkest van de Vlaamse Opera.)

Das Rheingold

Arthur Rackham: FreiaDe Vlaamse Opera heeft het gedurfd de Ring aan te pakken, en na de proloog te hebben gehoord én gezien, zijn wij daar niet rouwig om. Regisseur Ivo Van Hove heeft Das Rheingold in een hedendaagse context binnengebracht, op een manier die volstrekt vanzelfsprekend overkomt. En dat is een uitzondering, want wij herinneren ons nog Peter Sellars‘ Don Giovanni in de straten van het New Yorkse Harlem, dat, hoewel een belangrijke stap in de evolutie van de opera, in retrospect toch een beetje van het goede teveel was.

Van Hove bezondigt zich daar niet aan. De setting dient als achtergrond en illustratie, en trekt niet nodeloos alle aandacht naar zich toe. Het goud als allegorie voor kennis en macht, wat op de scène wordt voorgesteld door de digitale wereld. De informatie wordt bewaard in een computerzaal, de kennis blijkt downloadbaar op een USB stick. Waar de wereld bij Wagner nog bestond uit boven (de goden, het Walhalla) en onder (de onderwereld), heeft tegenwoordig iederéén toegang tot informatie. Het wereldbeeld werd niet gewoon gemoderniseerd door Van Hove, maar geactualiseerd aan de huidige situatie. En dat is precies de reden waarom de enscenering werkt.

Arthur Rackham: FreiaVoor Wagner zelf was de uitbeelding van ondergeschikt belang aan de thematiek en de muziek. Hoewel de afbeeldingen van Arthur Rackham zeer tot de verbeelding spreken, hadden de in berevellen en ijzeren harnassen verscholen acteurs voor een veel minder aangrijpend schouwspel gezorgd dan de hedendaagse bezetting van Van Hove. Wagner zelf was overigens dermate ontgoocheld in die potsierlijke dress code dat hij luidop droomde van een onzichtbare enscenering (net zoals het onzichtbare orkest dat hij in Bayreuth diep in de orkestbak had verstopt).

Bij Van Hove krijgen de acteurs een prominente rol toebedeeld. Net zoals de enscenering is de muziek belangrijk als ondersteuning (Wagner is tenslotte de uitvinder van het Leitmotif), maar krijgen de zangers een belangrijke rol. Hun zang is duidelijk en op de voorgrond, en zorgen ervoor dat het verhaal direct naar de luisteraar wordt gebracht. De muzikale motieven en de dramatische uitwerking dienen voornamelijk als ondersteuning, en het maakt er deze uitvoering alleen maar krachtiger op. De moderne (hier is dat woord dan toch) ondersteuning van de televisieschermen, waarop onder andere het vreselijke lot van Freia bij de reuzen zeer aanschouwelijk en afschrikwekkend (maar niet obsceen) wordt afgebeeld, zorgt voor een zeer waardevolle aanvulling.

Arthur Rackham: FreiaThuis luister ik met veel plezier naar Solti’s Ring, een uitvoering van 1965 die nog steeds als een van de meer representatieve wordt beschouwd, en die ik ergens in de jaren 90 tot grote consternatie van de verkopers in de Fnac mijzelf heb toegeëigend (ik was te jong voor dergelijk oeuvre). De opvoering in de Vlaamse Opera, tijdens de première dinsdag, kan nochtans met glans de vergelijking weerstaan. Technisch kunnen bepaalde gedeelten in Solti’s versie als superieur worden beschouwd, maar in zijn geheel kan ik u niet alleen deze nieuwe versie aanraden; deze vertolking behoort ongetwijfeld tot het betere werk dat de Vlaamse Opera de laatste jaren heeft geleverd. Niet te missen!


Das Rheingold
, gezien op 13 juni. Nog te zien tot 9 juli in de (Vlaamse) Opera aan de Kouter. Info en tickets via de site van de Vlaamse Opera.

(Deze bespreking verscheen eerder al op Gentblogt.)

concerten 200604

0 te vermijden / * slecht, maar beluisterbaar / ** goed / *** zeer goed / **** fantastisch

  1. Vaganée, Machtel en Van Rossum / 02-04-2006 / Opatuur / ***
  2. De Toverfluit / 08-04-2006 / Vlaamse Opera / **
    Heel geslaagd voor het doelpubliek (de kinderen); cfr bespreking.
  3. Jack Van Poll en Philippe Aerts / 09-04-2006 / Opatuur / ***
  4. JL Rassinfosse en JPh Collard-Neven / 23-04-2006 / Opatuur / ***
  5. Bert Joris, Nathalie Loriers en Philippe Aerts / 30-04-2006 / Opatuur / ***

Stuk voor stuk weer heel goede concerten, bij Opatuur. Veel humor, veel gedrevenheid, enthousiaste muziek van mensen die niet alleen graag doen waar ze mee bezig zijn, maar dat bovendien ook verschrikkelijk goed doen.

(concerten vorige maand)

De Toverfluit

De ToverfluitEr was veel volk, op de matinee van de ‘kinderversie’ van De Toverfluit (Die Zauberflöte). Veel volk, maar lang niet alle plaatsen waren bezet. Ik schrijf met opzet ‘bezet’, en niet ‘verkocht’, want hoewel wij bijvoorbeeld onze kaarten reeds lang op voorhand hadden besteld (op 19 januari om precies te zijn), waren de beste plaatsen toen reeds gemarkeerd als bezet. Niets bleek minder waar. Het eerste balkon kende minder dan 50% effectieve bezettingsgraad, terwijl wij met gezinnen hebben gepraat die zich uit noodzaak hebben moeten opsplitsen tussen pakweg het tweede en het dierde verdiep wegens… gebrek aan plaatsen. En dat is een zeer spijtige zaak.

Over de voorstelling zelf (bijna) niets dan lof. Goed, de zang was misschien niet van topniveau (hoewel zéker niet slecht), maar het entertainmentgehalte en de inbelevingsgraad was hoog. Even was er zelfs directe interactie met het jonge publiek, en de opera leent zich bovendien überhaupt tot een ‘kinderversie’, gezien zowel de inhoud als de vorm. De Toverfluit is een Singspiel: een mengvorm waarin de dialogen die de verschillende aria’s verbinden, worden gesproken. Voeg daaraan toe dat de opera voor deze opvoering werd vertaald naar het Nederlands, en het jonge volkje kon perfect volgen (mits enige uitleg van mama of papa).

De Toverfluit bevat bovendien genoeg humor (Papageno) en leuke deuntjes: het liefdesduet tussen Papageno en Papagena, en de aartsmoeilijke aria Der Hölle Rache kocht in meinem Herzen (Aria van woede en haat). Die laatste aria is wereldberoemd in de versie van Florence Foster Jenkins, die op haar beurt euhm befaamd was voor haar totaal gebrek aan zangkunst. (U kan het fragment beluisteren vanop die Wikipedia pagina.)

Het verhaaltje in een (hele kleine) notendop (deze versie was tot ongeveer de helft van de normale voorstelling ingekort). Sarastro houdt Pamina, de dochter van de Koningin van de Nacht, gevangen, om haar aan de invloed van haar moeder te onttrekken. De Koningin stuurt de jonge prins Tamino uit om haar dochter te bevrijden, vergezeld van Papageno, die op zoek is naar een vrouw. Zowel Tamino als Papageno slagen vanzelfsprekend in hun doel, en worden bovendien bongenoten van Sarastro, die eigenlijk met iedereen het beste voorheeft.

Deze opera biedt een heleboel scenografische mogelijkheden, die zich voor deze versie op een (voor de kinderen) overzichtelijke manier rond een reusachtig bed werden geconcentreerd. Papageno was sober behouden, wat enerzijds een beetje jammer was (iedereen houdt wel van vreemde vogels), maar anderzijds veel ‘acrobatie’ van het personnage toeliet.

Veel geroezemoes, veel uitleggende ouders, en vooral veel enthousiaste kinderen. Het hoorde er allemaal bij, en maakte deze voorstelling heel geslaagd.

De Toverfluit, gezien in de Vlaamse Opera, op 8 april 2006. Foto: OperaExplorer

(Deze entry is ook terug te vinden op Gentblogt)