populismus

Ondertussen vele jaren geleden, had ik het genoegen om aan de zijde van David Van Reybrouck an een project te werken. AREA was een Europees project over archeologie, en ik had voor hen een website ontwikkeld compleet met database die zowel on- als offline kon worden gebruikt. In Microsoft Access. Toen al was ik danig onder de indruk van Davids capaciteiten. Het was de periode waartijdens hij verschrikkelijk veel opzoekingswerk verrichte voor zijn Maeterlinckboek, De Plaag. Tijdens onze sessies kon hij daar met voorzichtige passie –waarachter overduidelijk veel vuur zat verscholen– over vertellen. Ik ben niet aan de non-fictie, maar de manier waarop deze man een verhaal kon vertellen, maakte die voorkeur geheel van ondergeschikt belang.

In de krant werd vandaag een stukje afgedrukt uit zijn nieuwe boek, dat donderdag verschijnt: Pleidooi voor populisme. Een fragment uit het fragment:

Voor de socialist is de geëmancipeerde arbeider een soort monster van Frankenstein geworden dat zich tegen zijn maker heeft gekeerd toen het op eigen benen kon staan. Van de weeromstuit ging links zich ontfermen over een nieuwe en schrijnendere groep nooddruftigen: de migranten. En dat bezegelde pas goed de boedelscheiding tussen de progressieve elite en het inheemse proletariaat. Dat een nieuwe generatie socialisten de autochtone arbeider vervolgens ook nog eens racisme verweet omdat hij het aandurfde kanttekeningen te plaatsen bij het multiculturele ideaal, zorgde voor een ware leegloop.

Lees vooral het volledige stukje. Bij Limerick mogen ze mij alvast een exemplaar reserveren.

Antwaaarpen

Antwerpen was een dagje shopping voor Tessa en Henri, en een vergadering voor mijzelf. Achteraf ben ik nog gauw even de Media Markt binnengestapt, alwaar ik voor geen geld een stapeltje dvds heb meegebracht. Even graag was ik met een gelijkaardige stapel cds buitengestapt, maar het aanbod in Antwerpen was niet meteen om over naar huis –of op dit weblog– te schrijven. Wat Tessa en Henri allemaal hebben uitgespookt, weet ik geeneens, behalve dan dat Henri wel minstens drie Bart Smits is binnengedrongen en minstens één legostarwarsding terug mee naar buiten heeft gesleept.

En vlak voor wij vanochtend vertrokken –toen ik was gaan lopen– belde de postbode aan met een doos vol amazon. James Bond 8 t.e.m. 14 waardoor ik nu enkel nog 1 (Casino Royale), 6 (Goldfinger) en 7 (Dr No) mis in mijn Penguin Bond Girl Covers collectie. Currently unavailable, vermeldt Amazon, en waar 6 & 7 nog betaalbaar blijven bij andere Amazon Sellers, dient men voor Casino Royale reeds 36 Britse ponden neer te tellen. *kuch*, inderdaad.

Een site om van weg te blijven overigens, die van Penguin. En al zeker van de onderdelen Great Ideas en Penguin Celebrations Set. En het onderdeel Tasters, waar men de boeken kan voorproeven –ook die James Bondjes. Must. Resist. Temptation.

Literaire seks

Zogezegd in Gent

(Canon EOS 5D, EF 16-35mm f/2.8 L II USM @22mm, f/2.8, 1/80s, 1250 ASA)

“Er zijn drie zaken waar ik niet aan kan weerstaan,” begon Anne Provoost, curator van Zogezegd in Gent, editie 2008, “erotiek, chocolade, en boeken.” Aan erotiek geen gebrek tijdens het evenement, maar u wil natuurlijk weten hoe het zit met die Fenomenale Feminateek!

Wel, u lees er meer over bij Het Project: Zogezegd: wat fijn dat er boeken zijn

Maar vergeet niet, sluit ik ook daar een beetje belerend maar geheel naar waarheid af, er is veel meer aan Boon dan die feminateek.

dwarsligger

Hoeveel mensen, vraag ik mij af, hebben die Fenomenale Feminatheek van Boon al gezien? Alle 22.000 foto’s die zouden worden getoond.

Ik ben geen preuts man. Ik ben een fan van Boon. De Paradijsvogel was –tot grote verwondering maar even grote blijdschap van mijn professor– het onderwerp van mijn examenwerk voor Nederlandse Literatuur in de 1e Licentie Germaanse Talen; ik ben lid geweest van het L.P. Boon Genootschap waarvan de episodes van De Kantieke Schoolmeester het halfjaarlijks tijdschift voor de Boonstudie met gepaste trots mijn boekenkast sieren; ik heb de Boonspeech van Lanoye in Antwerpen gehoord toen hij hem voor de eerste keer bracht (de leden van het Genootschap waren zijn proefkonijn); ik heb een deel van mijn puberteit met Mieke Maaike gesleten; ik was geniepig trots op Boon toen ik leerde dat hij dat rode boekje had geschreven als reactie op zijn Multatuliprijs voor Daens. Boon was net zo’n grote held als de Ridder.

In de Knack lezen we dit:

Tal van andere mensen hebben hun onbegrip geuit over de schrapping van de expo ‘Fenomenale feminatheek’. Zo verklaart minister van Cultuur Bert Anciaux dat dit “heel oude, zelfs middeleeuwse politieke cultuur” is, “waar ik absoluut niet achter sta”.

Maar van Anciaux vermoed ik niet dat hij één letter Boon heeft gelezen, laat staan dat hij de feminatheek heeft gezien. Hoeveel mensen kennen Boon nog, en hoeveel mensen hebben al iets van hem gelezen, anders dan Daens of Mieke Maaike’s obscene jeugd?

Vergezeld van 21 preutse foto’s bloklettert De Morgen: De foto’s die de provincie Antwerpen verbood, en geen zinnig mens die begrip kan opbrengen voor dat verbod bij het zien van de zwart witte pin ups die recht uit een jaren 60 kalender lijken te zijn weggelopen.

In 2003 werd dan die Fenomenale Feminatheek uitgegeven, verpakt in een houten doosje, een editie die men aan de straatstenen niet kwijtraakte, en dat ik uiteindelijk spotgoedkoop in De Slegte heb kunnen op de kop tikken. Vanzelfsprekend bevinden zich niet alle 22.000 foto’s zich in dat kleine kistje. In het boekje staan een aantal prenten, voorzien van een inhoudsopgave en een indeling van het beeldmateriaal. Dertig jaar heeft de man zich ermee bezig gehouden, en zijn catalogus bestaat uit XXXI delen, gaande van Deel I Het Kindvrouwtje, over Deel XI De engeltjes, en Deel XXI Kom je mee in bed?, tot Deel XXXI Ontbloten der tieten. Ik citeer even de beschrijvingen bij delen III en IV:

Deel III
Het Lolita-kindje

Foto’s van naakte meisjes van hun achtste tot hun elfde levensjaar, die aantonen hoe heel wat kind-vrouwtjes zich reeds bewust zijn van het erotische belang dat zij in onze samenleving weldra zullen verkrijgen — of reeds bezitten. Door uitnodigende houding of door opschik, door het dragen der hoofdharen, en vooral het reeds verleidelijke van ogen en mond, mogen ze als lustobjekt beschouwd worden. Dat met regelmaat in alle landen speciale boekjes verschijnen, meestal ‘Lolita’ genoemd, waarin heel wat foto’s van acht- tot elfjarige meisjes zijn opgenomen — zelfbewust schaamteloos het splitje tonend — bewijst dat zij in de erotiek onzer samenleving reeds hun eigene en niet te onderschatten plaats hebben ingenomen.

Dit deel bevat dan:
1. reclames voor ‘Lolita’-boekjes
2. foto’s van meisjes die de puberteitsjaren nog niet bereikt hebben, maar reeds erotisch aangetooid zijn of met nadruk het kutje tonen
3. foto’s van tien- en elfjarige meisjes die met nog groter nadruk het kutje tonen, vooraan en achteraan gezien
4. het zeikende kleine meisje
5. het opentrekken van het kutje
6. het zich reeds bevredigende onvolwassen meisje… of dat doet alsof
7. zich erotisch vermaken met andere meisjes

Deel IV
Het Lolita-meisje

Foto’s van naakte meisjes van hun elfde tot hun vijftiende levensjaar. Bewust van hun rijpende geslacht tonen zij, door houding en opschik, door de zwellende tietjes en het reeds beboste kutje, hun ‘vrouw’-zijn.
Duidelijk manifesteren ze zich reeds als lustobjekt en eisen zij hun plaats in onze samenleving op.

Dit deel IV bestaat dan uit:
1. foto’s van vroegrijpe elf- en twaalfjarige Lolita’s
2. foto’s van twaalf-, dertien- en veertienjarige Lolita’s die met nadruk de reeds beboste omgeving van het kutje tonen
3. foto’s van Lolita’s die zich vingerend aan zelfbevrediging doen
4. foto’s van Lolita’s die zich met het vriendinnetje vermaken
5. foto’s van Lolita’s die bij de zelfbevrediging gebruikmaken van een of ander mannelijk derivaat

En dan vraag ik mij of ze niet vooral aan de foto’s die in bovenstaande delen passen hebben gedacht, daar in het verre Antwerpen, toen ze beslist hebben om de geplande tentoonstelling te annuleren.

Naar verluidt komt de tentoonstelling er wel, bij ons in Gent, en dan ben ik toch benieuwd of er daadwerkelijk foto’s in de collectie zitten die reden tot bezorgdheid geven. Of zal er achter de schermen toch een zekere vorm van censuur plaatsgrijpen waarvan u niet op de hoogte wordt gebracht? Want zeg nu zelf, u gaat op die tentoonstelling toch niet alle foto’s tellen, waarvan u niet eens weet of het er twintig dan wel tweeëntwintig of zelfs vierentwintig duizend zijn?

mannen

The Bell Jar is een grotendeels autobiografisch geïnspireerde roman van Sylvia Plath. Volgende passage, waarin het hoofdpersonage voor het eerst een kind ziet geboren worden, wou ik u niet onthouden:

The woman’s stomach stuck up so high I couldn’t see her face or the upper part of her body at all. She seemed to have nothing but an enormous spider-fat stomach and two little ugly spindly legs propped in the high stirrups, and all the time the baby was being born she never stopped making this inhuman whooing noise.

Later Buddy told me the woman was on a drug that would make her forget she’d had any pain and that when she swore and groaned she really didn’t know what she was doing because she was in a kind of twilight sleep.

I thought it sounded just like the kind of drug a man would invent. Here was a woman in terrible pain, obviously feeling every bit of it or she wouldn’t groan like that, and she would go straight home and start another baby, because the drug would make her forget how bad the pain had been, when all the time, in some secret part of her, that long, blind, doorless and windowless corridor of pain was waiting to open up and shut her in again.

Plath kreeg zelf twee kinderen, en benam zich van het leven in 1963, amper 30 jaar oud. Ik begin vreselijk benieuwd te worden naar haar dagboeken (waarvan Ted Hughes, haar man, er twee heeft verzegeld tot de 50e verjaardag van haar dood).

boekenlust

Gisteren stond Tessa terug voor de deur. Aan mijn bed eigenlijk, want hoewel ik Henri ondertussen al naar school had gebracht, had ik nadien terug mijn dagkleren voor mijn pyjama verruild, en was ik terug in bed gekropen. Geheel verwaterd kwam ze boven geslopen, de berregende valies onderaan de trap achtergelaten.

Drie uur had ze geslapen, maar toch zijn we eerst nog een rondje rond de Blaarmeersen gaan lopen –ik twee, zij eentje– waar de hagelstenen tijdens mijn tweede ronde mijn gezicht net niet openschartten. Een snelle lunch in de Progrès, en een bezoekje aan Het Paard van Troje waar wij tegen zeer spartaanse prijzen twee zeer interessante boeken hebben gevonden. En toen ik vanochtend een verse lading clementines ging halen, heb ik ook van bij de Limerick een paar mooie dingen meegebracht.

Dit is niet New York. De iconen voorbij, Jacqueline Goosens (tekst) en Bart Michiels (foto’s). In een aantal recensies (DS en DM, waarvoor JG ook columniste is) had ik gelezen over de manier waarop Michiels zijn foto’s maakt, en hoe hij verschrikkelijk lang kan wachten op het juiste moment (bespreking RVi). Ik kon mij daar erg in vinden, en zijn foto’s mogen er dan ook zijn (understatement). Dit boek zal hopelijk vaak uitgedeeld worden als eindejaarscadeau.

Made in Italy, Giorgio Locatelli. Aangeprezen als het ultieme Italiëkookboek. Een turf van vijf en een halve centimeter hoog, met ruim zeshonderd pagina’s boordevol verhalen, recepten en foto’s. Ter illustratie van de aanpak, het hoofstuk ‘pasta’ (redelijk onmisbaar in een Italiaans kookboek), begint op pagina 274 met een foto, en het eerste recept (voor pasta zelf) staat pas op pagina 290.

Vlees is het mooiste, Bart Moeyaert (selectie gedichten) en Elisabeth Broekaert (foto’s). Intrigerend thema, en mooie, uiterst neutrale foto’s van Broekaert. Bernard Dewulf had er in DM een recensie voor geschreven, die een beetje aarzelend was, maar de foto’s die er toen waren bij geplaatst hadden me al lang over de schreef gehaald om het boek in huis te halen.

En daarnaast heb ik de nieuwe Chabon (Gentlemen of the Road) –ik moet dringend aan The Yiddish Policeman’s Union beginnen, dat hier al meer dan drie maand op lezing ligt te wachten– en een ontbrekende Murakami (Dance Dance Dance) meegebracht. En de usual suspects: Jeroen Brouwers’ Datumloze dagen, Annelies Verbekes Groener gras en de winnaar van de Poirot Prijs, Bob Van Laerhovens De Wraak van Baudelaire.

Genoeg lectuur tot het einde van ’t jaar, vermoed ik.

Ah, en ter afsluiting, een interessant interview met Paul Verhaegen (Omega Minor) in Bookslut (geen angst, ondanks de titel van de site, is dit geheel Safe for Work).

idolatrie en liefde

Eigenlijk ben ik nooit echt fan geweest van iemand. Mijn kamer hing niet vol met posters (behalve een korte tijd Duran Duran, maar dat had vermoedelijk meer te maken met de tekeningen van Patrick Nagel dan de groep zelf). Nog voor ik het adagium van Greenaway kende (I really, sincerely believe that one should trust the work, and not the author.) was ik al een blind gelover in de essentie ervan. De ontdekkking van de poëzie tijdens de puberteit was een openbaring: Keats, Shelley, Byron, Poe, Kloos, Gorter, Verlaine, Baudelaire, Rimbaud. Het orgasme nabij. Of voorbij.

En eigenaardig is dat nu, dat ik toch namen vernoem terwijl ik eigenlijk de werken zelf wou benadrukken. Maar goed, ik heb het dan ook voornamelijk over de romantische periode. Neem nu Verlaine en Rimbaud. Verlaine was tien jaar jonger dan Rimbaud, maar volledig in diens ban. In die mate dat hij zijn vrouw (Mathilde) achterlaat voor een hevige, twee jaar durende romance met Rimbaud. Tijdens een ruzie, en wanneer Rimbaud dreigt hem te verlaten, beschiet Verlaine zijn geliefde Rimbaud met een pistool. Hij smeekt Rimbaud om genade, in die mate dat hij hem zelfs smeekt hem te doden. Rimbaud ontkomt en geeft Verlaine aan bij de politie. In een daaropvolgend proces wordt Verlaine tot een gevangenisstraf veroordeeld, gedurende welke periode zijn vrouw hem verlaat en Rimbaud naar Africa vlucht. Tijdens zijn straf schrijft Verlaine een hoop prachtige gedichten, opgedragen aan zijn geliefde, waaronder dit, onweerstaanbare, gedicht:

Il pleut doucement sur la ville
(Arthur Rimbaud)

Il pleure dans mon coeur
Comme il pleut sur la ville,
Quelle est cette langueur
Qui pénètre mon coeur?

O bruit doux de la pluie
Par terre et sur les toits!
Pour un coeur qui s’ennuie
O le chant de la pluie!

Il pleure sans raison
Dans ce coeur qui s’écoeure.
Quoi! nulle trahison?
Ce deuil est sans raison.

C’est bien la pire peine
De ne savoir pourquoi,
Sans amour et sans haine,
Mon coeur a tant de peine!

Verlaine, Romances sans paroles, 1874