(ex-)vampyr Nagiko

“Papa, papa, Nagiko zijn tand is uitgevallen!”

Nagiko door Bruno Bollaert

Nagiko, onze aanhankelijke Abessijn, had al een hele tijd geleden zijn rechtertand verloren, en ging de laatste paar maanden door het leven met zijn ene overgebleven vampiertand, die hij wel met trots toonde, maar waar wij vooral moesten afblijven.

Nagiko door Bruno Bollaert

Vanochtend vonden we die ene tand op de grond, en Nagiko lijkt nu op een aristocratische, maar tandenloze oude man –hij draagt zijn 14 jaren goed.

Moe als een kat

“Baasje, ge zijt zot”, zegt Nagiko als ik terugkom van mijn 10k loop. “Enfin, niet dat ge mijn baasje zijt, want bazinnetje is mijn baasje, edoch: passons“. Hij rekt zich genoegzaam uit, en komt langzaam en vermoeid overeind.

Het was verschrikkelijk warm, zo vlak voor de middag, toen ik twee toerkes rond de Watersportbaan ging lopen (goed voor iets meer dan 12 kilometer, de weg van en naar huis inbegrepen). Mijn conditie is helemaal nog niet op peil, zo vlak na die verplichte stop. Maar het voelt fantastisch.

“Zo ziet ge er anders niet uit”, biedt Nagiko aan.

Nagiko

Nagiko

Nagiko

Nagiko

“Allez toe, is ’t nu haast gedaan met foto’s maken? Zoudt ge niet beter een liter water gaan drinken of zo.”

biche

Mijn tweede kat is dood. Enfin neen, mijn eerste. Allez, ’t was mijn kat niet. Of toch een beetje wel. Mja, katten kennende was ze van niemand behalve zichzelf. En ’t was een hij. Een geknipte hij dan toch. Met een meisjesnaam. Une biche n’est pas un cerf.

Biche, ô ma biche
Lorsque tu soulignes
Au crayon noir tes jolis yeux
Biche, ô ma biche
Moi je m’imagine
Que ce sont deux papillons bleus
 

Of het nu net dat liedje van Frank Alamo was dat door mijn hoofd speelde, dan wel of we net van een gastronomisch weekend bij onze Waalse landgenoten kwamen, ik weet het niet. Feit is, op een dag hadden we een kat, en ik mocht de naam kiezen. Man of vrouw maakte mij niet uit, maar het beest moest en zou Biche heten.

Voor ik het goed en wel besefte, kwam ik tijdens mijn nachtelijke tienerescapades(*) in Lochristi een posse kleine bichekes tegen. Waarop zijn mannelijkheid prompt geneutraliseerd werd, maar niet zijn trots noch territoriumdrift.

biche

Biche verhuisde vanzelfsprekend mee van Lochristi naar Sint-Amandsberg, maar bleef bij mijn moeder toen ik met Tessa ging samenwonen in Gent (de Tarbotstraat). Ter ‘vervanging’ hebben wij dan Mâcon (zaliger) en Nagiko in huis gehaald.

Het was ergens midden de jaren 80 geweest dat Biche bij ons in huis is gekomen, mijn moeder rekent dat hij 21 geworden is. Gisteren werd hij door de dierenarts bij mijn moeder opgehaald, op haar verjaardag. Ge zoudt van minder stil worden.

(*) wij –de buurttienerkinderen– spraken af rond een uur of twee-drie, als iedereen werd geacht te slapen, en toen maakten wij nachtwandelingen, en gingen we zwemmen op plaatsen waar dat al dan niet mocht en vanwaar wij soms door veldwachters, boeren, of soldaten werden weggejaagd

kinders

Een mooie roste zit al een tijdje in onze tuin. Ik denk dat ze van een van onze buren is, maar helemaal zeker ben ik het niet. Ze klimt op het dak van ons achterhuis, lacht gemelijk naar onze gecastreerde kater, en acht zich de koningin van haar lusthof. Een lusthof was het wel degelijk, want een tijdje geleden ontwaarden wij een kluwen van kinders en een angstig gepiep dat uit de takkenverzamelplaats in onze tuin opsteeg, telkens wij het al te dicht benaderden.

Gedurende een tweetal weken zitten er twee kleine katjes in de tuin, dartel met elkaars voeten spelend. Een rostje en een grijsje, en hoewel ik die laatste wel naar de correcte Gentse school kan sturen, weet ik begod niet waar die andere heen moet. Niet dat ik ze zou kunnen grijpen overigens, want bij de minste vreemde aanwezigheid spurten ze ofwel de takkenbossen in ofwel onder de haag. Geen mens die daar bij kan.

Vanochtend troffen wij het rostje aan, langs de kant van die buur, met opengereten gezichtje en dito ribbetjes.

De moeder, die we de afgelopen week niet veel meer hadden gezien, is vanmiddag de tuin terug in gekomen. Ze zit op een paar blokken hout, vanwaar ze de tuin overschouwt, haar grijsje beschermend tussen haar poten getrokken. En zoekt daar, aandachtig maar met bloedend hart en zacht geweeklaag, haar lusthof onophoudelijk af.