Een man die aan de top wil staan is een slechte vader

In De Morgen zijn ze de voorbije dagen bezig met iets over vrouwen en politiek, dat ik grotendeels aan mij heb laten voorbij gaan, maar voor het laatste deel kwamen ze echter af met de (tegen te spreken) slogan “Een vrouw die aan de top wil staan is een slechte moeder.”

De essentie wordt vervat in twee stukjes. Er is dit citaat van Liesbeth Homans:

Tijdens de onderhandelingen in Antwerpen moesten we op een gegeven moment beslissen of we die avond zouden doorvergaderen, of ’s anderendaags zouden verder doen. Onmiddellijk werd er naar Annemie Turtelboom en mij gekeken: “Hebben jullie een babysit geregeld?” Wij worden op zulke momenten door mannen aangesproken op ons mama-zijn, terwijl zij toch ook papa zijn? Die mannen daar aan tafel hebben óók kinderen, maar dat zij iets moesten regelen, dat kwam niet bij hen op. Blijkbaar is het voor hen de evidentie zelve dat iemand anders die dingen voor hen regelt. (Liesbeth Homans, schepen voor de N-VA in Antwerpen in De Morgen, 10/04/2013)

en dit van Gwendolyn Rutten:

Je kunt niet alles doen. Je kunt niet iedere avond en de kleren klaarleggen voor de kinderen, je strijk doen, koken, jezelf soigneren, je werk tot in de puntjes voorbereid hebben en ook nog eens een goede vrouw zijn voor je man. Dat gaat niet. (Gwendolyn Rutten, voorzitter Open VLD in De Morgen, 10/04/2013)

Waarbij ik de voorkeur geef aan dat van Homans, die er in haar uitingen minder lijkt van uit te gaan dat de kook-strijk-was-plas functie per default bij de vrouw terecht moet komen.

We zijn er nog lang niet, maar het tij lijkt stilletjesaan te willen keren.

Vlaams-Victoriaanse hypercorrectie

Het doet mij een beetje denken aan de woordtwijfel gehandicapte, mindervalide, andersvalide, personen met een fysieke of mentale beperking (let op de subtiele verandering naar meervoud in die laatse omschrijving).

Of aan het promobericht van Jan Roegiers (overgenomen als sp.a-groen persbericht op Gentblogt): sp.a –groen met 6 holebikandidaten op Gentse lijst. Rogiers lijst er vier holebi’s en twee vrouwen op (de gevaren van hokjesmentaliteit), die “in de Gentse gemeenteraad [zullen] waken over de rechten van holebi’s en een vuist maken tegen discriminatie, homofobie en seksisme.” Dat is mooi, maar ik mag hopen dat iedereen in die gemeenteraad zal waken over gelijke kansen voor iedereen.

Sire, er zijn geen allochtonen meer. We hebben de ganse vreemdelingenproblematiek in één pennentrek opgelost, zo hekelen de cartoonisten in de media, want we hebben de allochtoon afgeschaft. De Morgen masturbeert er vandaag zo hevig op los, dat ik me afvroeg of het wel inkt was, waarmee ze hun pagina’s bedrukt hebben. Ze zijn de redders van de maatschappij. Het is een kwestie van tijd of ze hebben ook de euro-crisis opgelost en het begrotingstekort weggewerkt.

In de 5.265 artikels die sinds mei 2001 door mij op dit blog werden gepubliceerd, heb ik het woord allochtoon in drie artikels gebruikt. Telkens ging het om artikels waarin ik publicaties uit de gedrukte media aanhaalde: in Uit de context ging het over een artikel uit De Groene Amsterdammer; in In de Rue de mosquée en Jij niet bang van zwarte man zijn! ging het over De Standaard en De Morgen. Eigenlijk doet De Morgen dus vooral aan zelfcensuur, waarbij het zichzelf goeddunkend op de schouder klopt. (Een woord krijgt trouwens pas betekenis door gebruik. De Morgen heeft actief meegewerkt aan de toekenning van die betekenis.)

Sven heeft gelijk, wanneer hij schrijft We zijn afgegleden naar een maatschappij waarin “MIJN” rechten centraal zijn komen te staan (samen met “mijn” behoeften, “mijn” wensen en “mijn” verlangens). Maar het gaat verder. We verglijden naar een maatschappij met een dubbele moraal, zoals in de Victoriaanse tijd. De politiek correcte verplichting in de media en de politiek verplicht de mensen tot hypercorrectie. Enerzijds zitten we in een maatschappij die enorm individualistisch is geworden (“mijn behoeften”), anderzijds voelen we ons zo sterk verplicht om ons zo tolerant mogelijk op te stellen dat die actieve tolerantie een passieve permissiviteit is geworden. Dat heeft te maken met het veilig stellen van de eigen behoeften, maar vooral met het gebrek aan een duidelijke moraliteit en aan de verwarring die daarrond is ontstaan.

Er is nood aan duidelijkheid, er is nood aan opvoeding (of sensibilisering, in hypercorrecte terminologie). Het vermijden of schrappen van een woord is niet meer dan struisvogelpolitiek, die aan de echte problemem voorbij gaat.

Steek uw rechten waar de zon niet schijnt

Vandaag las ik een zeer symptomatische tekst in de krant –symptomatisch voor onze ijlende maatschappij. Een lezer had een reactie naar de redactie van De Morgen gestuurd ivm de opmerking van Bart De Wever, die had gesteld “’t Stad is niet van iedereen, maar van diegenen die moeite doen om erbij te horen”. Bart De Wever is een begenadigd demagoog, en leider van een verder redelijk holle partij die het vooral van het charisma van de partijleider moet hebben.

De Wever reageerde met zijn uitlating op de rellen in Borgerhout dit weekend, die eigenlijk vooral een door extremistische hand verklote protestactie was op een YouTube video die vele mensen niet eens hebben gezien, en waar men op weinig smakelijke en vooral ongeïnspireerde wijze de draak steekt met de islam (en diens profeet Mohammed in het bijzonder). Denk aan Boratachtige toestanden, maar dan nog slechter geacteerd en u nog meer plaatsvervangend schaamtegevoel bezorgend. Helaas behoort de islam, samen met haar aartsvijand het jodendom, tot die religies die een hyperextreme tak bevatten die over bijzonder lange tenen beschikt. De Wever reageerde met zijn uitspraak ook tegen de slogan zelf, die werd opgesteld door zijn demagogische evenknie Patrick Janssens, die ons in de media een totaal verkeerde interpretatie van de uitspraak van De Wever opdringt. (Het gaat niet om allochtonen vs autochtonen, maar om plichten vs rechten, als dat nog niet duidelijk was.)

In de reactie focuste een zekere R. Gozin uit Aarschot, met grootsprakerige gretigheid (waarop u ook mij kan betrappen), op de interpretatie van Janssens. “De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”, zo steekt Gozin van wal, “begint met een geloofsbelijdenis: ‘Alle mensen worden vrij geboren, gelijk in waardigheid en rechten.’ Rechten.” Voor de volledigheid voegt hij er ook nog aan toe: “Dat wil niet zeggen dat je geen plichten hebt; wel dat die niet aangeboren zijn of volgen uit menselijke natuur, maar uit een maatschappelijke visie die je mee bepalen mag.”

De dwaling, die Gozin daarbij begaat, is natuurlijk dat ook die rechten niet aangeboren zijn of volgen uit de menselijke natuur, maar tevens uit een maatschappelijke visie zijn bepaald. Immers, anders had men zo geen tekst moeten opstellen. Bovendien kennen we allemaal Darwin (zelfs de creationisten kennen hem), die iets heeft gesteld over het recht van de sterkste (damn, daar is dat woordje ‘recht’ alweer) en daarmee gepaard gaande overlevingskansen.

Er bestaat niet zoiets als universele rechten (of plichten –schreef ik een paar maanden geleden al). Dat is een romantische illusie. Panem et circences, die déclaration universelle des droits de l’homme, uitgeschreven in een periode waarin de wereld half vernietigd was (1948), en direct gebaseerd op een tekst uit de tijd waarin de mens van onder het juk van de Kerk en de adel wou vandaan komen (déclaration des droits de l’homme et du citoyen uit 1789). Zeer schoon op papier, en zeer nobel van inborst, dat wel. Maar dat is een andere discussie, denk ik.

Rechten en plichten zijn yin en yang: zonder het één niet het ander. In de huidige maatschappij ligt de klemtoon veel te veel op recht, en veel te weinig op plicht. Vijftig jaar geleden (51 om precies te zijn), sprak John F. Kennedy deze woorden uit bij zijn inhuldiging als president: “ask not what your country can do for you –ask what you can do for your country.”

Misschien moet het maar eens gedaan zijn met die nadruk op rechten. De huidige rechtenmaatschappij heeft ons doen verglijden van een tolerante maatschappij naar een permissivieve. Oscaar Van Den Boogaard schreef daar onlangs nog een column over in De Standaard: Laf? Onverschillig?

We kunnen onze plaats in een maatschappij niet opeisen, en daar niets tegenover stellen. Wie rechten wil, moet ook zijn plichten nakomen, om samen aan een goede maatschappij te bouwen.

U jaagt mij angst aan

Serieus, meneer Desmet, u jaagt mij angst aan. Op een halve voorpagina De Morgen schreeuwde u mij deze ochtend een boel ongefundeerde demagogie toe. Het was goed dat ik de rest van de dag geen toegang tot internet had.

Ronduit angstaanjagend is het, meneer Desmet, hoe een voorontwerp van een vonnis volgens u plots van België een Zuid-Amerikaanse dictatoriaal regime maakt. Het zijn uw woorden. Nog goed dat er mensen zijn zo’n beweringen kunnen weerleggen, en de vermoedens van een normaal denkend mens –dat zo’n voorontwerpen helemaal geen uitzonderingen zijn– kunnen bevestigen. Gelukkig is er nog de VRT, die Herman Dams, Procureur Des Konings in Antwerpen daarover in het nieuws aan het woord heeft gelaten.

Minister Turtelboom heeft dan wel een memo gestuurd om straffen minder dan drie jaar niet te laten uitvoeren, er is geen wet die zegt dat die straffen niet mogen uitgevoerd worden. Het kernkabinet staat als één man achter mevrouw Turtelboom. En terecht.

En dan dat gezaag over dat YouTube filmpje (op pagina vijf) dat van het Frans en het Arabisch naar het Nederlands werd vertaald. Die vertaling gebeurde niet door een beëdigd vertaler, en de toon in uw krant laat op zijn minst vermoeden dat u het eens bent dat dit grond is om het aanhoudingsmandaat te vernietigen. U gaat daarbij geheel voorbij aan de dwingende vraag die elk weldenkend mens zich stelt: zat er een fout in die vertaling. Met andere woorden: u bent meer bezorgd om de letter van de wet dan om de geest. U bent meer bezorgd om de rechten dan om de plichten van mens in de maatschappij. We vergeten maar al te graag, in deze rechtenmaatschappij, dat de mens vooreerst plichten en verantwoordelijkheden heeft t.o.v. de maatschappij. De uwe, meneer Desmet, mocht u het zich überhaupt afvragen, is (onder andere) om op een onderbouwde en –in de mate van het mogelijke– objectieve manier om te gaan met de berichtgeving van de gebeurtenissen die zich in die maatschappij voordoen.

Mevrouw Turtelboom is geen clown, meneer Desmet, ik ben het met u eens. Maar ik ben het nog niet zo zeker wat u betreft.

Terry Gilliam: it’s a good journey

Het nieuwe operaseizoen is bekend, en dat ging ook aan onze krant niet onopgemerkt voorbij. Wel twee kolommen, toch wel een heuse halve pagina hoog en één derde pagina breed (de rest werd ingenomen door reclame), kreeg de eerbiedwaardige reporter ter beschikking om daarover te berichten (Het geloof van Aviel Cahn, De Morgen, 21-22/04/2012). Niet meteen plaats voor uitdieping, en dat verklaart waarschijnlijk ook de weinig bijdehandse blurb over seizoensopener.

De insteker is het geloofthema dat Aviel Cahn heeft gekozen als leidraad voor het nieuwe seizoen. Aviel Cahn is de directeur van de Vlaamse Opera, een bijzonder enthousiaste man. Ik had het genoegen hem even te ontmoeten vorige dinsdag, op de receptie na de vertoning van Rumor –niet dat ik verwacht dat hij zich daar ook maar iets van zal herinneren, maar hij heeft een erg positieve en (als ik even een germanisme mag gebruiken:) begeesterende indruk nagelaten.

Waarin gelooft Terry Gilliam? Niet meer in Monty Python, mogen we vermoeden. Hij mag het operaseizoen openen met La Damnation de Faust van Hector Berlioz. Gilliam regisseert het stuk naar eigen zeggen als “een helse rit doorheen de Duitse geschiedenis”. We mogen hopen dat hij er ook wat van de twijfel van Faust in legt, die alles gestudeerd had en toch niets wist. Want is niet die twijfel het noodzakelijke complement van het geloof?

Het is een beetje jammer dat er enkel plaats was om Terry Gilliam met Monty Python te associëren. De laatste Pythonfilm dateert van 1983, en toen had Gilliam al zijn tweede (nog niet echt) postPython film geregisserd (Time Bandits, 1981). Gilliam is sindsdien vooral bekend van zijn bevreemdende films zoals Brazil (1985), 12 Monkeys (1995), Fear and Loathing in Las Vegas (1998) en The Imaginarium of Doctor Parnassus (2009). De stap van filmregisseur naar operaregisseur is dan misschien ook wat minder verwonderlijk dan de korte tekst zou kunnen suggereren. (Zoals Gilliam zelf zegt: “From cartoons to animation to films to opera. It’s a good journey.“)

De opdracht voor Gilliam gebeurde in coproductie met de English National Opera, en de première vond vorig jaar in Londen plaats. De pers was behoorlijk positief (Rupert Christiansen in The Telegraph, Andrew Clements in The Guardian, Jessica Duchen in The Independent zijn telkens goed voor vier tot vijf sterren). Volgens Rupert Christiansen haalt Gilliam zijn mosterd bij Thomas Manns Doctor Faustus (ik moet dat tegen september maar eens herlezen, want dat is van mijn schooltijd geleden), en de regisseur leidt ons van de Duitse romantiek tot Auschwitz. Het klinkt allemaal très ‘Gilliams’, die geen gemakkelijke taak had met een opera die eigenlijk niet eens een ‘echte’ opera is, maar een légende dramatique (zoals Berlioz het zelf omschreef), eerder opgevoerd als oratorium of een concertante opera dan een theatrale. Ik kom er later nog wel op terug, maar het is alvast uitkijken dus, om zelf te ontdekken hoe Gilliam die Faustiaanse twijfel heeft verwerkt in de teneergang van het Duitse hoogtepunt der romantiek naar het dystopische recente verleden.

Jeroen De Preter, tourwinnaar

Wie mij een beetje kent, weet dat mij niet kan verweten worden op de hoogte te zijn van sport. Hooguit bekijk ik met Henri de MotoGP of de Formule eens, wanneer de afstandsbediening ons daar toevallig op terecht brengt. Ik verlies er in elk geval geen slaap over. “Wie gaat de tour winnen, Bruno”, vroeg men mij onlangs en antwoordde met kennis van zaken: “Joop Zoetemelk. Of nee, toch Bernard Hinault.”

Pas op, ik durf zelf wel eens te lopen (16 km vanochtend nog), en tijdens een moment van zwakte heb ik zo’n racefiets in huisgehaald, een paar jaar geleden (een witte Trek Madone 5 punt nog iets). Wie er een goede prijs voor biedt, mag hem gerust overkopen. Hij verkeert in perfecte staat, wegens in ongebruik.

Maar sinds de muisjes die Buth in de wielen van Thomas Pips tekende, heb ik tijdens de tour niet meer met zo’n verlangen naar de krant uitgekeken als de voorbije weken. Jeroen De Preter, “een veertiger die in januari nog een kettingroker was” heeft zes maanden lang getraind om hetzelfde parcours af te leggen dat de het wielercircus zou volgen (Trappen tot het snot uit uwe rug komt). Hij ging de coureurs een dag (of twee) vooraf, en samen met fotograaf Jonas Lampens werd zijn calvarie voor de krant De Morgen vastgelegd. Het was verschrikkelijk spannend en onderhoudend, en zelfs al zegden die cols en andere plaatsen mij weinig, ik kon niet anders dan helemaal meeleven met de belevenissen van De Preter.

De afgelopen drie weken hebben me geleerd dat koersen, veel meer dan ik al dacht, een mentale kwestie is. Op de flanken van l’Alpe d’Huez heb ik mogen ervaren hoe euforie de pijn, de uitputting en het zuur kan versmachten. Op euforie kan een mens minstens vijf per uur sneller rijden dan hij dacht te kunnen rijden.

Wielrennen, zo heb ik de afgelopen weken geleerd, is een gevecht tussen twee tegengestelde, maar onlosmakelijk met elkaar verbonden krachten. Het is een gevecht van pijn tegen euforie.

Tot u spreekt vandaag een man die de pijn heeft verslagen, een man in euforie. Tot u spreekt iemand die dankzij de Tour veel meer van zichzelf, en dus ook van de rest van de wereld is gaan houden. In de hoop dat het wederzijds is, dank ik u allen allerhartelijkst.

Kijk, als ze mij nu nog vragen wie de tour heeft gewonnen, dan hoef ik niet meer te twijfelen: het is Jeroen De Preter.

Jazz in… Flanders? Belgium? België? Belgique?

Proberen te dansen met de Michellen

Het is een aangenaam-optimistische overtuiging waaraan Didier Wijnants stem geeft, vandaag in de krant. In zijn wekelijkse jazz column in De Morgen heeft hij het met zichtbaar genoegen over de eerste Belgian Jazz Meeting (“een driedaags beursevenement ter promotie van onze jazz in het buitenland”) die in september de Flemish Jazz Meeting zal vervangen. Tijdens de vorige jazzmeeting waren er immers al vragen gerezen over de ondervertegenwoordiging van de Waalse kant van het Belgische jazzlandschap (niet echt onbegrijpelijk in een Jazz Forum dat werd georganiseerd door Muziekcentrum Vlaanderen en JazzLab Series natuurlijk), en vooral de jazzmuzikanten vonden een taalgrens in België weinig relevant. We zullen zien wat dat geeft voor de voertaal op die nieuwe Belgische bijeenkomst met de Engelse naam.

Er is absoluut een lans te breken voor een Belgische bijeenkomst. België is zo klein, en het is zo al moeilijk voor de jazzmuzikant om aan de bak te komen. Laat ons dus vooral de krachten bundelen wanneer we ons in het buitenland willen profileren. Ook binnen België wordt er samengewerkt, reikt Wijnants aan in zijn column, Proberen te dansen met de Michellen

Neem bijvoorbeeld de Michellen: op papier zijn Michel Massot en Michel Debrulle natuurlijk Franstalig, maar ze toeren met hun ensembles evengoed in het circuit van JazzLab Series als dat van Lundis d’Hortense. En hun cd’s verschijnen bij De Werf in Brugge, gewoon omdat dat productiehuis hen de beste artistieke garanties biedt.

Fantastisch allemaal, maar als argument voor het gedijen van een Belgische jazzscène weegt het misschien niet zwaar genoeg door. Bram Weijters trok vorig jaar bijvoorbeeld naar Seattle, om er in kwartet met Chad McCullough een album op te nemen. In de studio aldaar, omdat die hen misschien de beste artistieke garanties bood, en ze traden net zo goed daar op als Vlaanderen (the usual suspects) en Wallonië (Jaques Pelzer Jazz Club) en Brussel (Jazzstation). In de Jazz Download Chart bij All About Jazz stonden ze overigens hoog genoteerd.

Het is een romantische gedachte waar ik helemaal voor gewonnen ben, zowel dat vleugje vermeende Belgicisme als (meer nog) de grensoverschreidende opvatting van de kunsten. Maar hoe strookt dat met de realiteit?

Het artikel naast de column van Didier Wijnants –het gaat over populaire muziek, dus het moet minstens twee keer zo groot en opvallend zijn– heeft als titel meegekregen Puggy: big in Belgique, maar (nog) niet in Vlaanderen, maar het is vooral de ondertitel die de boodschap weergeeft: Waalse groepen vinden moeilijk weg naar andere kant van taalgrens. Het zou mij verbazen als dat voor de Vlaamse groepen niet hetzelfde was.

Voyons ne keer (we beperken ons tot levende artiesten): hoeveel Belgische jazzmuzikanten kent u? En als we ze opsplitsen in Vlaamse en Waalse? We laten beide bovenvermelde Michellen (en de andere uit het artikel van Wijnants) er even van tussen, en dan zou het mij toch verwonderen mocht u er vijf vinden die van de andere kant van de taalgrens komen. (Hoeveel internationale jazzmuzikanten kent u? Meer of minder dan Waalse?)

Het is zonder meer hartverwarmend dat voor Belgische jazzmuzikanten de taalgrens niet lijkt te bestaan. Het is ook lovenswaardig dat de spelers op Belgische jazzmarkt het opportuun vinden om zich als één front in het buitenland te willen profileren. Hopelijk vinden deze ambities ook in het binnenland hun weerklank in het aanbod én bij de luisteraar.

(Wil iemand de mensen van Jazz Together eens aanraden bij hoogdringendheid hun domeinnaam te registreren? En waag het niet te gaan cybersquatten. Ja, gij daar. Ik heb het tegen u.)