Revolutie! (l’histoire se répète)

Op 23 juni was het vijftig jaar geleden dat Boris Vian is overleden ten gevolge van een hartaanval, tijdens de première van de film J’irai cracher sur vos tombes. De film van Michel Gast is gebaseerd op de gelijknamige roman van Vian, die zich reeds publiekelijk had gedistantieerd van de interpretatie. Vian, l’éternel adolescent, wordt postuum enorm populair bij de generatie van mei 68. Tegenwoordig is hij wat meer in de vergetelheid geraakt, hoewel daar mogelijks verandering in komt, met de opname in de prestigieuze reeks Bibliothèque de la Pléiade van Gaillimard, eind dit jaar.

In afwachting van de aankomst van mijn bestelling, bracht ik uit de bibliotheek Over jazz, Teksten 1946-1958 mee. Over jazz bevat de vertaling van een selectie van de vele schrijfsels van jazzfan Vian –die overigens een niet geheel onverdienstelijk jazztrompettist was. Mijn bestelling is Oeuvres complètes, tome 6, het eerste van de drie delen over jazz die in de reeks bij Fayard is verschenen. Vian schrijft heel toegankelijke kroniekjes, bijna in blogstijl, die soms een verbazingwekkend actuele waarde hebben.

Platen… jazz… revolutie
Combat 12/13 maart 1949

In principe dient hier het onderwerp ‘grammofoonplaat’ te worden aangeroerd, de plaat die wij, liefhebbertjes van de levende muziek, als een van de essentiële elementen van ons dagelijks menu beschouwen. De grammofoonplaat maakt een enorme ontwikkeling door, een revolutie, zelfs op het vlak van techniek. Ik weet niet of ik u op de hoogte heb gehouden van de Amerikaanse uitvinding de ‘microgroef’, een procédé dat het mogelijk maakt op een plaatkant van vijfentwintig centimeter tussen een kwartier en vijfentwintig minuten muziek onder te brengen. Goed! de microgroef is nu commercieel in produktie genomen en de eerste platen komen daarginds uit. Beter zelfs: Columbia en Victor, de twee grote maatschappijen, betwisten elkaar de markt, en wel op volgende wijze: de ene geeft microgroefplaten uit op drieëndertig toeren per minuut en de andere op vijfenveertig toeren, en ieder verkoopt natuurlijk het erbij behorende weergaveapparaat (voor een, laten we zeggen, werkelijk belachelijke prijs). Laten we vooropstellen dat men zonder enige twijfel op dit gebied op een onvermijdelijke standaardisering uitkomt; als Columbia en Victor elkaar concurrentie aan willen doen moeten ze hun inspanningen niet op dit gebied richten: dat moeten ze op artistiek terrein doen. Als alle huidige maatschappijen hun eigen platen gaan uitgeven –de ene rond, de andere rollen, een derde ovale, vierkante, puntige of kegelvormige platen– en als je iedere keer het erbij behorende apparaat moet kopen, zou de platenindustrie zich nog op het niveau van het ambacht bevinden. Laten we derhalve de huidige ‘gevarieerdheid’ beschouwen als een verbazingwekkend blijk van onbegrip van een land dat ons aan commercieel helderder denken heeft gewend en wachten op een normalisering die geen langer uitstel gedoogd.
Laten we tezelfdertijd proberen te voorzien welke mogelijke consequenties deze technische revolutie voor het terrein van de jazz zal hebben.
Tot op heden is slechts één firma van plan dit produktieprocédé aan te wenden voor het uitbrengen van de series ‘Jazz at the Philharmonic’, de live opgenomen concerten waarvan er nu enkele in Frankrijk bij Disc verschijnen (er zijn nu al verschillende platenmaatschappijen achtereen met de opnamen bezig geweest; de huidge rechthebbende in de Verenigde Staten is Mercury). Dit alles valt makkelijk te begrijpen. Elk van deze sessies duurt verschillende plaatkanten en het is vervelend iedere drie minuten op te moeten staan om de plaat om te draaien. Wat daarentegen de meer ‘courante’ jazz betreft kan men nog lange tijd toe met de gewone vijfentwintig centimeterplaat. Doordat er voortdurend platen van vijfentwintig centimeter werden opgenomen zijn de muzikanten het gewoon gaan vinden stukken van een corresponderende lengte te spelen en is het publiek ‘er aan gewend’. Maar toch, wat een voordelen biedt het… denk maar eens aan de V Disc-versie van Mood to be wooed van Duke Ellington, die op de commerciële plaat op een verschrikkelijke manier doormidden is gehakt. Als je er even over nadenkt zou de ‘microgroef’ het einde moeten betekenen van afgerafelde arrangementen, zou hij de orkesten dwingen zich nier te beperken tot monotone riffs, en, vooral bij het grote orkest, moeten leiden tot een nieuwe liefde voor goed verzorgde chorussen tegen een rijke en fraaie volle achtergrond.
Maar wie zal het weten? Zal de microgroef aanslaan? Het is tamelijk verbazingwekkend dat de moderne techniek nog niet is overgegaan tot de serieproduktie van een procédé ter onderdrukking van het geluid van de naald, van gekras als gevolg van ouderdom en wat dies meer zij… Inderdaad verbazingwekkend… Ik heb zo’n idee dat de toekomst nog verrassingen voor ons in petto heeft. Binnenkort zullen we het nog eens over techniek hebben.

(Uit: Boris Vian, Over jazz: teksten 1946-1958, vertaald door Paul Syrier, Van Gennep Amsterdam, 1984, ISBN 90-6012-570-3)

Deze tekst is zestig jaar oud. Zestig jaar. Vervang plaat of microgroef door een aantal gelijkaardige media (videocassette, cd, dvd, audiobestand), en hopla! u beschikt over een volstrekt actuele tekst. De ‘platenmaatschappijen’ zijn alleen maar groter en dominanter geworden, het door hen gepushte ‘produkt’ steeds commerciëler. Internet biedt gelukkig steeds meer mogelijkheden aan de muzikanten, voor wie de moelijkheid is om opgemerkt te worden in het enorme aanbod. Overaanbod, kunnen we gerust stellen.

En wat techniek betreft kunnen we het niet beter verwoorden dan Vian, zestig jaar geleden: Ik heb zo’n idee dat de toekomst nog verrassingen voor ons in petto heeft.

15 seconden, Steve Lacy!

Een schitterende quote over improvisatie, toen pianist-componist Frederic Rzewski, vader van Jan Rzewski die we niet zo heel lang geleden nog met Misha Mengelberg in Vooruit aan het werk zagen, in 1968 Steve Lacy tegen het lijf liep.

In 1968 I ran into Steve Lacy on the street in Rome. I took out my pocket tape recorder and asked him to describe in fifteen seconds the difference between composition and improvisation. He answered: “ In fifteen seconds the difference between composition and improvisation is that in composition you have all the time in the world to decide what to say in fifteen seconds, while in improvisation you have fifteen seconds.” His answer lasted exactly fifteen seconds and is still the best formulation of the question I know.

Via de vertaling van J. Bernlef in Schiet niet op de pianist, het oorspronkelijke citaat gevonden op internet.

mannenwereld

Maar ik ben ook heel blij dat ik een vrouw ben. Vrouwen hebben meer vrijheid dan mannen vandaag. We hebben de keuze: moeder worden, carrière maken, of niet. De emancipatie van mannen moet nog beginnen, want zij hebben die keuze niet. Een man moet carrière maken, of hij wordt maatschappelijk niet gewaardeerd. Voor hen is er ondanks alles weinig veranderd de laatste veertig jaar.

Journaliste Norah Vincent, die anderhalf jaar undercover ging in mannenwereld, tegen Katrijn Serneels in De Morgen (Vrouwen zeuren te veel, 28/09/2006)

père castrateur

Ergens eind 1989 –ik was toen zelf twintig– noteerde ik volgend citaat in één van mijn schriften (ik had toen nog geen weblog, nee):

J’imagine un garçon de vingt ans disant à son père: «Pourquoi as-tu gâché cette chance qui s’offrait à moi?» Et je souffle au père cette réponse: «Imbécile! Tu n’avais qu’à désobeir. J’ai joué mon rôle de père castrateur. Tu n’as pas joué ton rôle de fils revolté.»

Michel Tournier in Avant propos van de omnibus die zijn drie grootste werken bevat.

l’importance du jazz

Je trouve qu’en comparaison, dans l’univers de la photo, beaucoup se prennent vraiment trop au sérieux. De plus, dans le jazz, la transmission me paraît plus solidaire: les “anciens” passent le releais aux jeunes, ils jouent ensemble. Et même si un “jeune” est meilleur techniquement, il reste respectueux du parcours et du talent de son aîné. […] En photo j’ai parfois l’impression, qu’au contraire, il faut ignorer le passé pour mieux imposer son style en le présentant comme novateur.

J’ai donc besoin de la tribu des jazzmen.

Guy Le Querrec, in Réponses Photo, juillet 2006

citaat

Vroeger had ik dit in een schriftje geschreven. Al raakt het kant nog wal zoals het hieronder staat, uit de context gerukt.

In the old days, Russell had been fascinated by his friend’s unself-conscious philandering. Despite his recent hiatus, Washington still liked to say that men had four needs: food, shelter, pussy, and strange pussy. Whereas Russell believed there were two kinds of men –those who cheated, and those who felt guilty afterward– and that he was irrevocably one of the latter.

Jay MacInerney —The Good Life