Ge moogt hem houden, uw Omnipas

Vorige week zat er een uitnodiging in de bus van De Lijn (pun not intended). Mijn abonnement –Omnipas– verstrijkt binnenkort, maar ik kan nu al hernieuwen, dan kan ik naad- en probleemloos blijven genieten van hun diensten. Ik moet er slechts 232 euro voor neertellen.

En toen ging ik toch maar even rekenen. Als ik 232 euro spendeer aan Lijnkaarten, dan heb ik er net geen 26. Met 25 Lijnkaarten kan ik 250 ritten met tram of bus afleggen in Gent. Laten we uitgaan van twee ritten per activiteit (heen en terug met meer dan een uur tussen), dan kan ik voor dat geld naar 125 activiteiten (of elke drie dagen één). Ik denk niet dat ik het openbaar vervoer frequenter dan dat gebruik.

  1. Gent is al maar een voorschoot groot: alles is gemakkelijk bereikbaar met de fiets of zelfs te voet.
  2. De service van De Lijn is de laatste tijd niet veel soeps. Het avond- en nachtnet is een regelrechte ramp. Een concert meepikken, een glas drinken en daarna terug naar huis? Dan neemt u beter de taxi of de wagen.
  3. De Lijn is erin geslaagd om de as die van het Sint-Pietersstation langs de Koning Albertlaan naar het centrum gaat voor bijzonder lange tijd te onderbreken. Tram 21/22 rijdt niet meer; tram 4 is onderbroken; bus 6 rijdt één keer per uur op zaterdag en al helemaal niet op zondag.

Ik merk dat ik met de fiets naar concerten in het centrum ga; met de wagen naar de opera en naar Opatuur in De Centrale; te voet of met de fiets ga lunchen in Greenway; en op zaterdag vaak beladen als een muilezel te voet van het centrum naar de stationsbuurt terugkeer.

Dus neen, beste mensen van De Lijn, ik ga mijn abonnement niet vernieuwen. Ik koop wel een rittenkaart, voor het uitzonderlijke geval dat ik geluk heb en een bus of een tram vind die wél naar de Albertbrug rijdt.

Verkeerd geparkeerd in september

Laat ik het eens een maandje bijhouden –maar dan alleen die voertuigen die effectief getakeld worden, en niet alleen die oenders die proberen voor onze poort te parkeren, maar waarvan ik het bij toeval tijdig zie zodat ik ze kan wegsturen. En hun 250 euro kan besparen –zoveel kost het immers, om uw wagen terug te krijgen (boete, takelkosten, etc.). Ik heb het allemaal op instagram gezwierd, maar ik wou wel eens een overzichtje.

Iemand vroeg of mijn poort wel duidelijk genoeg vermeldt dat ge daar niet moogt parkeren, dus ik heb er maar een foto van de poort bij gezwierd ook.

Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert

Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert

Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert

Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert Verkeerd geparkeerd door Bruno Bollaert

Goed voor 2.750 euro.
(Misschien moet ik die foto’s laten afdrukken, en dan beneden achter het venster hangen, met het bedrag van de takelkosten erbij…)

Met de trein naar Bokrijk

De trein is altijd een beetje reizen. Henri vraagt al sinds de jaarwisseling om (nog) eens naar Bokrijk te reizen. De laatste keer zal zo’n acht jaar geleden zijn, toen we nog lentes en zomers hadden en ik niet met Henri thuis (binnen) wou blijven zitten terwijl Tessa van wacht was. Dus hadden we gisteren tickets online besteld (ik) en in het station zelve gekocht (Tessa), toen bleek dat de daguitstap naar Bokrijk niet via de site van de NMBS te koop werd aangeboden.

Bokrijk door Bruno Bollaert

De trein vertrok om 8.24 u. en zou ons met één overstap (in Leuven) tegen 10.39 u. in Bokrijk brengen. Er was ook een rechtstreekse trein, maar die vertrok om 8.08 u. en die kwam op hetzelfde moment in Bokrijk aan. Het ging inderdaad over dezelfde trein, een boemeltrein, waar we dan pas in Leuven zouden op overstappen van onze snellere trein. Behalve dan dat die trein niet sneller was, maar een vertraging had opgelopen van maar liefst 17 minuten, waardoor we in Leuven een uur op de volgende trein naar Bokrijk hebben moeten wachten (aankomst aldaar: 11.39 u.).

Bokrijk door Bruno Bollaert

Ondertussen bleek Henri ziek te zijn, en zienderogen ook zieker te worden. Tegen half één heb ik mij met hem in één van de weides gelegd (onder een prachtige lindeboom), terwijl Tessa naar de Sixties-tentoonstelling trok. Het masterplan was om pas tegen een uur of zes de trein terug naar huis te nemen, maar hij was zo ziek, dat we nog rap iets hebben gegeten (Henri hield het bij een rijstpapje), en de trein van 15.21 u. naar Gent hebben genomen.

Bokrijk door Bruno Bollaert

De rechtstreekse trein deze keer, zodat we wel degelijk snel thuis zouden geraken. Behalve dan dat deze trein ook weer bijna twintig minuten vertraging had, waardoor we er bijna drie uur over hebben gedaan om van Bokrijk terug in Gent te geraken.

39,1° biepte de thermometer, ocharme de jongen.

PDM 472

Peugeot 407 sw PDM-472 door Bruno Bollaert

Elke week komt de eigenaar van dit voertuig, een gepensioneerde meneer vergezeld van een exotische liefde, zijn dochter die hier een paar huizen verder op kot zit, afzetten. Niet dat het mijn zaken zijn, van dat exotisme of van die dochter. Helaas insisteert hij telkenmale om zijn voertuig voor onze poort achter te laten –zonder knipperlichten, zonder iemand in of bij de wagen achter te laten, zonder eens aan te bellen om te informeren of het stoort. Ook als er elders plaats is –wat meestal het geval is– staat hij erop om zijn wagen voor onze poort te plaatsen. Hem erover aanspreken helpt niet. “Ik sta hier graag,” stelt hij. “Ge kunt straks ook nog wegrijden, als ik weg ben. ’t Zal op dat kwartierke niet steken.”

Fietsers zijn zot

Vanochtend heb ik Tessa naar het UZ gevoerd. Geen paniek, ze werkt daar gewoon, nietwaar. Normaal gezien gaat ze zowat elke dag met de fiets naar het werk, een flinke drie kilometer enkele reis volgens Google Maps. Vanochtend was het weer mij veel te bar, dus stond ik erop om haar tot daar te brengen met de wagen.

Om acht uur is het nog donker, en bovendien regende het nog eens ook. Voeg daar nog eens aan de beperkte zichtbaarheid aan toe, want het Gentse Stadsbestuur heeft wel veel geld veil voor een strak (en bekroond) lichtplan dat onze monumenten verfraait, de oversteekplaatsen aan pakweg de Koningin Elisabethlaan, de Kortrijksesteenweg, de Burggravenlaan, de Krijgslaan, de Vrijheidslaan, en de Zwijnaardsesteenweg zijn niet meteen van het kaliber dat u er uw zonnebril voor moet opzetten –in tegenstelling tot de verlichting bij voornoemde monumenten. We hebben het hier trouwens niet over kleine sluipwegen, maar over druk bereden invalswegen. De oversteekplaats(en) op de Krijgslaan ter hoogte van het Miljoenenkwartier zijn er mogelijks het ergste aan toe. De verwaarlozing van het garanderen van goed verlichte oversteekplaatsen grenst aan het criminele.

Over criminaliteit gesproken: van de talloze fietsers die ik ben tegen gekomen, reed ruim de helft zonder licht. En natuurlijk zijn het net die fietsers, die donker gekleed gaan (laat staan dat ze een fluovestje zouden aan hebben). Van de overblijvende helft, reed nog eens ruim de helft met excuuslichtjes. U weet wel, van die zwakke led-dingetjes (één tot drie ledjes volstaan, wat had u gedacht), die op de fiets of de vest worden bevestigd, en die de zichtbaarheid van de fietser in niets verbeteren.

Had ik niet –tot grote ergernis van mijn mede-automobilisten trouwens– met aangepaste snelheid gereden (lees: nooit boven de vijftig, en eerder naar de veertig), dan had ik minstens vier fietsers gemist… euh, geraakt, enfin u begrijpt mij wel. Ik heb minstens zes andere fietsers bijna zien aangereden worden, vaak (maar niet altijd) omdat de fietser niet voldoende zichtbaar was, één keer omdat een achterlijke automobilist uit de Kortrijksesteenweg de Prinses Clementinalaan indraaide tegen 80 per uur (er kwam slipwerk aan te pas, en ik denk trouwens dat ge daar als automobilist niet moogt indraaien). Pas alstublieft uw rijgedrag niet alleen aan de weersomstandigheden, maar ook aan de zwakste weggebruikers aan.

Maar serieus, veel fietsers zijn goed zot. Maak werk van uw zichtbaarheid. Wil er iemand die excuuslichtjes verbieden, en meteen de fietsverlichting homologeren op minimale sterkte? En maak toch gewoon die fluovestjes verplicht in het donker (in de wagen zijn ze ook verplicht).

Ondertussen, op de bus

“Gaan ze nu echt dat mens dat er niet eens in slaagt haar eigen partij te leiden, een bestuursfunctie geven in een land dat meer dan 500 dagen nodig heeft om een regering bijeen te krijgen?”

Normaal gezien neem ik de tram naar het centrum. Sinds tram 21/22 door de PaGaS uit het centrum weggehouden wordt, moet ik naar de Kortrijksesteenweg trekken om in de buurt van de Zuid (lees: de OR en de Vooruit) te geraken, tenzij ik er een half uur over wil doen om met tram 24 de scenic tour rond Gent te rijden.

Gelukkig is er bus 6, die wel maar om het half uur rijdt, maar die mij rechtstreeks tot zowat de voordeur van Vooruit brengt. Er zit veel jeugd op die bus, maar af en toe ook wat ouder volk. Drie mannen zaten op de vierzit achter mij, en het ging over het topic van de voorbije 540 dagen. De regering komt eraan, de ‘toffe ministerportefeuilles’ zijn zo goed als verdeeld.

The Real McCoy

Ik had het geluk, maandagavond, om de 24 te zien voorrijden net toen ik het Sint-Pietersstation buitenstapte. Vroeger, voor de mensen die niet van Gent zijn, reed de 4 een cirkeltje rond het Maria Hendrikaplein voor het station, maar sinds de tramlijnen helemaal overhoop zijn gehaald voor de werken aan (de) PaGas, is die rol overgenomen door de 24. Een troep belhamels had het tramperron ingepalmd, en bezette vrolijk het achtersteven van de tram (waar ook ik bleef hangen, want ik moest er al twee haltes verder af). De vrolijkheid van de jeugd was gecatalyseerd door een hoeveelheid alcohol –verse blikjes openden zich unisono even voor de tram vertrok. Minder blijdschap evenwel voor een dertiger zich een weg door de olijke jongeren baande, en met veel misbaar een gelukzalig glimlachende jongen van voor het ticketontwaardingsapparaat duwde. “Dwaze zattekloot”, mompelde hij, en hij keek afgunstig naar de grote fles Johnny Walker die de ronde deed en in colaflessen werd bijgegoten.

“Ge zult wel moeten opletten,” waarschuwde ik de jongeman die, met de whiskeyfles in de hand, tegen de deuren van de tram stond geleund, “of ge gaat eruit vallen als ik op het knopke duw.”

“Oei, dankuwel,” antwoorde hij, “ik dacht dat ze langs de andere kant open gingen.” Niet eens een noodzakelijk door drank ingegeven redenering, want aan het station gaan ze inderdaad langs de andere kant van de tram open. “Ne goeien avond hé meneer, en bedankt voor de waarschuwing”, riep hij nog.

Eerder die avond zat ik in de AB voor het concert van het McCoy Tyner Trio (feat. José James en Chris Potter) voor die Contemporary Exploration of John Coltrane en Johnny Hartman die ik al kort had aangehaald. Ik zat er naast Bart Cornand, een enthousiast applaudisseur overigens, en zag er nog de helft van de Vlaemsche jazzscène passeren (behalve Frederik, want die was naar Kuifje gaan kijken –wij gaan zondag). Die zaten daar allemaal (mijzelf incluis) met een gigantische verwachting voor wat komen zou. De line-up was op zijn minst interessant te noemen: pianist McCoy Tyner omschreef zichzelf als een belangrijke invloed op de evolutie van John Coltrane; de bariton van José James raakte bekend door de gesmaakte samenwerking met Jeff Neve (For All We Know en nadien ook Facing East: The Music of John Coltrane); en ten slotte saxofonist Chris Potter in de rol van Coltrane himself. Nee we vergeten niet bassist Gerald Cannon en al evenmin drummer Joe Farnsworth, die beide vrolijk stonden mee te grappen –Farnsworth speelde fantastisch.

Het concert begon met drie instrumentale nummers. Het opende met een wervelend Fly With The Wind, gevolgd door Ballad for Aisha en vervolgens Moment’s Notice. Chris Potter speelde met zijn gewone virtuositeit, zeer bedreven maar niet geheel beklijvend –zijn muzikale klemtonen kunnen mij veel minder in de muziek betrekken dan (tsja) Coltrane die hij moest vertolken. Het zal wel een persoonlijke voorkeur zijn. Potter klinkt –en klonk die avond ook– het best als hij zijn eigen idoom meer op de voorgrond kan laten komen. José James mocht een viertal Hartman nummers brengen. Tyner deed als hij James’ naam niet kende –een routine die hij al de ganse toer volhoudt. James wisselde nummer na nummer de partituur voor Tyner, een charmant detail. De klankkleur van James’ stem ligt soms verbazingwekkend dicht bij die van Hartman, zo viel mij op toen ik op de terugweg nogmaals naar John Coltrane and Johnny Hartman luisterde.

Heel uitgekiend aan dit concert was de afwisseling tussen instrumentaal en vocaal –het hoogtepunt daarin vult u geheel naar eigen voorkeur in. Met In A Mellow Tone en African Village mocht McCoy Tyner zich nog eens uitleven, en hoewel het publiek behoorlijk enthousiast (én hoopvol) was, kwam er geen encore meer.