Gothika

Eergisteren nog eens een filmpje meegepikt –zoals de Nederlanders dat zeggen. Het was weer een tijdje geleden (ongeveer een jaar, een denk ik). Tessa zit in Barcelona voor een congres, Henri is bij zijn grootouders, en ik had alleen mijn katten. (Tot vanavond, want dan komt alles en iedereen terug thuis.)

We hadden een tijdje geleden een aantal bioscoopcheques voor de Kinepolis Groep gekregen, en ik kon er maar beter gebruik van maken voor ze verstreken. Maar er speelt bijzonder weinig interessants in de Decascoop. Of toch om 20u00 op maandag.

21 Grams speelde enkel om 22u45, en bovendien wil Tessa die ook zien, tot Monster voelde ik mij niet meteen aangesproken, evenmin tot Once Upon a Time in Mexico (zelfs al is het met Johnny Depp), Runaway Jury komt binnen de kortste keren toch op tv, en The Last Samurai speelde pas om 22u30.

Gothika (official site) dan maar. Licht verteerbaar, suspens, en vooral weinig volk in de zaal.

Gothika werd geregiseerd door Mathieu Kassovitz, die we nog kennen (zoals Troy McClure) als acteur van o.a. Le Fabuleux destin d’Amélie Poulain en als regisseur van o.a. de schitterende verfilming van Les Riviéres pourpres (aka The Crimson Rivers), naar het boek van Jean-Christophe Grangé (ik ben ondertussen Le vol des cigognes aan ’t lezen –nog 80 bladzijden).

Als thriller is Gothika lang niet slecht. Als verhaal is het veelbelovend, maar slordig uitgewerkt. Geholpen door beeld en geluid zal de film je echter op het puntje van de stoel houden, voor een groot aantal van de bioscoopgangers zelfs met de handen voor de ogen. Wreed verschietachtig, niet echt aangeraden als ge daarna alleen naar een groot leeg en donker huis moet terugkomen. Hmm.

Binnenkort gaan we overigens met z’n alleen eens naar de cinema, want ik heb Henri min of meer beloofd dat we naar Finding Nemo gingen kijken. Wat meteen aantoont hoe ‘mee’ ik ben met de huidige programmatie, want het ding speelt al lang niet meer in de zalen. Meer nog, ik zag gisterenavond de reclamespot op tv: Vanaf woensdag overal te koop op video en dvd.
Euh ja. ’t Zal dus Brother Bear worden (of Scooby Doo 2).

mega pixel

Als ik nu een nieuw digitaal fototoestel zou kopen, was de Nikon D70 een grote kanshebber –OK, OK, als ik geld teveel had, de Leica D2, maar laten we proberen een klein beetje realistisch te blijven.

Op consumer level (wat een vreselijk woord is prosumer toch; liever een amateur dan een prosumer) heeft de pixelrace –met de huidig gebruikte sensoren– maar weinig zin meer. 8MP op een sensor zo groot al een pinknagel, geeft onaanvaarbaar veel noise bij hogere ISO waarden. De consumers hebben –terecht– de rug gekeerd naar het APS-formaat (dat kleine negatief-formaat, waarmee je zowel ‘normale’ als breedbeeld foto’s kon maken), omdat de kwaliteit echt niet volstond. Welnu, de (huidge) sensoren in de consumer toestellen zijn veel kleiner dan het APS formaat.

De Nikon D70 daarentegen, heeft wel een APS formaat sensor. Het toestel kan dan ook veel gemakkelijker met grotere ISO waarden gebruikt worden.

Algemeen wordt aangenomen dat je beter minder MP hebt met een grotere sensor dan meer MP met een kleinere. Voor een overzicht van sensor sizes, zie bvb Digital Outback Photo en DP review.

Maar ik ben best tevreden met mijn G5.

(Oh, en dit is ook interessant om lezen: Hybrid and Digital Capture)

les 3

Speaking of which, het wordt er alleen maar beter op. Tijdens de derde les hebben we geleerd contactafdrukken te maken. Ontwikkel-, stop- en fixeerbaden werden voor ons gemaakt, terwijl wij ijverig onze negatieven in stroken van zes knipten –de laatste in twee van vier.

Een contactafdruk maken is poepsimpel: leg de negatieven op fotopapier, leg er een glazen plaat boven, belichten, en klaar. Eerst wel de juiste belichtingstijd vinden natuurlijk.

Daarvoor knippen we een blad fotopapier in vijf stroken, en waarmee we vervolgens een teststrook aanmaken:

teststroken

Volgens de lichtschakering 5 – 10 – 15 – 20 – 25 en 30 seconden belicht. Daarna ongeveer een minuut in het ontwikkelbad, even door het stopbad, een paar seconden door het fixeerbad, even spoelen, en beoordelen. Eens de geschikte belichtingstijd gevonden –39 seconden in mijn geval– de contactafdruk maken, en door de baden halen. Het contactblad blijft dan wel drie minuten in het fixeerbad, en wordt ook drie minuten onder stromend water gehouden.

Volgende les: zelf een foto afdrukken.

analoog en digitaal

Digitaal goedkoper dan analoog? Geen filmpjes meer, dus sparen we een hoop uit, right? Misschien wel op consumer level waar u en ik zich bevinden, of indien u enkel beelden op de computer wilt bekijken/tonen. Maar voor de mensen die ook willen afdrukken (laten we daar even van uitgaan), en vooral voor de professionele fotograaf draait het wel even iets anders uit.

De Amerikaanse fotografensite Editorial Photographers heeft eens uitgerekend wat de kosten zijn van professioneel digitaal fotograferen ten opzichte van analoog. (via Jan-Edwards photography weblog):

We must realize that our digital equipment is expensive and has a short lifespan in terms of being current and competitive. A basic digital set of two professional SLRs, several lenses, dedicated flashes, laptop, card reader, memory cards, desktop computer, software, monitor, printer, and CD/DVD burner, will cost approximately $20,000 to $60,000. That equipment, in order to remain technically current and keep you competitive, will need to be replaced every 3-5 years, some much sooner. Comparatively, a basic film system for editorial work would likely cost under $20,000 and would likely remain current and functional for 10 years or longer.

Ook voor de amateur spelen dergelijke factoren mee: laten we de computer er nog even uit, dan is er een fotoprinter, Photoshop (niet meteen goedkope software: 1.200 EUR), papier, en inkt of toner.
Tijdens de les net een overzichtje gekregen van wat een analoog starterspakket moet kosten –minus de camera– tussen 1.000 en 1.500 EUR. Dat is inclusief vergroter, spoelbakkenset, wat papier en chemicaliën; en de duurdere zaken daaruit gaan jaren mee.

Bovendien telt ook voor de amateur de kost van de camera. Hoewel hij er langer mee zal doen dan zijn pro collega, gaat de digitale camera geen 10 jaar mee. Daarentegen is het niet geheel uitzonderlijk voor een (degelijke) analoge camera om zijn eigenaar te overleven.

Editorial Photographers komt tot de volgende vergelijking (pro level !):

So here is the comparison:
$20,000/10 years = $2,000/year average cost if you’re shooting film
$40,000/5 years = $8,000/year average cost for digital

the call of the wild

…zullen we dan maar zeggen. Ik dacht nog zo dat ik –behalve aan vrouwen, chocolade en alcohol– nergens aan verslaafd was. Maar ik kan het niet meer aan. Ik kan het niet meer horen. Dat heerlijke geluid van een twin of een triple –of als het echt moet, een vier cilinder.

In de straat woont er iemand met een duc, een knalgele 749, en ik word gewoon gek van het geluid. Ik wil zelf op die machine rijden. Ik wil terug op circuit gaan rijden, al heb ik het nog maar twee keer gedaan en is het nog maar de eerste echte zonnige dag. Dat belooft.

all in the mind

Leica. It’s a tool; en een goede camera betekent niet noodzakelijk een goede fotograaf. Maar er is wel degelijk een kwaliteitsverschil.

(Ja, en een prijsverschil. Maar een degelijke lens van een ander merk kost ook behoorlijk wat geld –tenzij je voor een F3,5 of een nog kleinere maximale opening gaat natuurlijk).

De Cosina Voigtländer lens die ik een tijdje geleden heb gekocht (een 28mm F3,5 Color Skopar) is van beduidend mindere kwaliteit dan pakweg mijn Leica Summicron 50mm F2. Het gaat inderdaad over twee verschillende brandpuntsafstanden (en een nadrukkelijk prijsverschil), maar ik ben behoorlijk geschrokken van de vignetting bij de CV lens (mijn Nikkor 35-90 F3,5 zoomlens is van betere kwaliteit).

Anderzijds is Leica evenmin *altijd* garantie voor kwaliteit: de C serie van compacte fototoestellen (zoals de C3) kan niet tippen aan de stukken goedkopere Olympus Miju of Rollei AFM 35 camera’s. Ook de details rond de Digilux 2 zijn ontgoochelend (RAW buffer?).

Euh, goed. Vandaag hebben we foto’s genomen van de staff voor een brochure. Om budgettaire redenen wou de chef eerst de opnames met de eigen digitale camera maken. Voor alle zekerheid de camera ingesteld op RAW, de flits uit, de ISO op 100, en de zoom ergens rond de 40 (35mm equivalent). De camera was een Canon PowerShot S45. 4MP of zo.

Moet ik het zeggen? De foto’s waren afschuwelijk. De mensen links en rechts stonden volledig gekromd; en zowat iedereen was ineen geduwd (dikke, korte mensen). Rond de meesten stond een purperen tot lichtblauwe halo. Photoshop kan ook maar zoveel.

Resultaat? Volgende week komt de fotograaf langs. Met een digitale back op zijn medium format fototoestel. Maar het zal elke euro waard zijn.

levensvragen

Reeds lange tijd geleden heb ik opgegegeven het antwoord op de volgende vraag te vinden: “Wat ziet Tessa in godsnaam in mij.” Bon, het moet wel degelijk iets zijn, en laten we het maar op iets onbestemds houden. Lotsbestemming and all that.

Maar wat ziet Henri in mij? Niet dat hij echt een keuze heeft –papa is papa– maar dan nog, hij is zodanig lief tegen mij, dat ik bijna niet opzie tegen de puberteit die hij onvermijdelijk tegemoet gaat.

*zucht*

Vermits we dan toch min of meer op de associatieve toer gaan, komt mij een van de moeilijker momenten in mijn bestaan even voor ogen. Beeld u in: een parkiet, zoals ik er een aantal heb gehad in mijn kindertijd. Net zoals steenratten. Evenveel parkieten als steenratten overigens –misschien werden ze ergens per paar verkocht. De parkieten heetten allemaal Flip (naar de papegaai van Jommeke), de steenratten allemaal Tom (origin unknown).

Ik heb ooit een levensbepalend moment meegemaakt met een van mijn Flipjes. Normaal gezien spendeerde ik ongeveer een dag met een Flipje in onze toenmalige keuken –in de Paardenstraat in Destelbergen (what’s in a few names). De keuken was niet echt groot –wat meteen voor een bepaalde intimiteit zorgde voor de personen die er zich op dat moment in bevonden. Ik heb er ooit samen met mijn vader eieren met ajuin leren maken –mijn vader dacht het toen onnodig de ajuin te pellen voor ze met de eieren in de pan te bakken– en nog daarvoor had ik er in de pompsteen mijn eerste badjes genomen.

Maar goed, ik spendeerde er dus een volle dag met mijn Flipjes, met als resultaat dat ze na die dag volledig tam waren. Ik kon er zelfs mee buiten in den hof gaan, een fenomeen dat ook mijn moeder herhaaldelijke keren probeerde, met steevast hetzelfde resultaat: tijd voor een nieuw Flipje. (De beesten waren behoorlijk ijdel, en één enkele keer zijn we erin geslaagd, met de gedemonteerde spiegel uit de badkamer, het beestje opnieuw naar binnen te lokken.)

Op een dag was ik of een of andere reden behoorlijk boos –ik was pakweg, een jaar of zes– en ik was alleen in de keuken gekropen. Flip was uit zijn kooi –de kooideur stond altijd open– en trippelde op de keukentafel heen en weer, en probeerde op mijn schouder te springen om aan mijn oor te knabbelen –parkieten houden daar nu eenmaal van. Ik was in een dermate boze bui, dat ik Flip voortdurend van mij afduwde –zonder resultaat: het beestje was danig aan mij gehecht. In kinderlijke naïviteit heb ik hem toen op een bepaald moment iets te hevig weggeduwd, een soort knip naar zijn poot –met een beweging zoals je een knikker wegschiet– gevolgd door een droge krak. Ik had Flip zijn pootje gebroken.

En nu komt het ergste: het diertje vluchte niet weg van zijn beul, maar bleef maar naar mij toehinken, op een poot, zijn ander pootje lamlendig met zich meeslepend. Ik heb nooit meer zoveel gehuild als toen.

(Maar ik heb sindsdien nooit geen dier meer kwaad gedaan. Behalve misschien spinnen. Maar ik ben er nooit wreed tegen geweest. Dood is dood. Één slag met het plat van de schoen. Een schoen. Om het even dewelke. Ik vertel de oorsprong van mijn arachnafobie nog wel eens.)